artikel

De ware Abraham
over een gekaste figuurpijp en zijn opvolger in baronite

Door Don Duco

Dit artikel bespreekt een figurale tabakspijp uit het assortiment van de vermaarde Koninklijke Goedewaagen in Gouda. Het gaat om een product waarvan het ontwerp in een onbekende Belgische pijpenmakerij tot stand is gekomen. De productievorm werd in 1880 door Goedewaagen overgenomen, die met deze persvorm zo’n 25 jaar verkoop realiseerde. Daarna raakt de pijp uit de gratie. Rond 1925 wordt de techniek herzien en verschijnt de pijp in aangepaste vorm op de markt. Met dit hernieuwde uiterlijk is de pijp geschikt om nog veertig jaar nieuwe verkoop te oogsten. Aan de hand van bewaard gebleven pijpen en productiemateriaal gecombineerd met archiefgegevens is de ontwikkeling van dit model stap voor stap te volgen.

Het origineel
Iedere zichzelf respecterende pijpenfabrikant van na 1860 voerde in zijn assortiment minstens één model van de zogenaamde Jacobpijp. Het gaat om een pijp met een korte afgeknotte steel, waarvan de ketel de vorm heeft van het hoofd van een man met snor en lange, breed uitwaaierende baard. Op het hoofd draagt de voorgestelde een tulband met links twee afhangende kwasten en langs de voorzijde een golvend tekstlint. Aan de onderkant van de kop, op de overgang naar de steel, bevindt zich aan weerszijden een rechthoekig schild waarop het woord “JACOB” te lezen staat. Kenmerkend voor de Jacobpijp is verder dat de koppen van de verschillende fabrieken nagenoeg dezelfde vormgeving hebben. Zij worden geleverd in grootte variërend van mignon en petit via moyen tot grand (afb. 1).

Ruime variatie zien we in de tekstlinten op de tulband, waarbij het er op lijkt dat iedere fabrikant er aanspraak op probeerde te maken de meest oorspronkelijke uitvoering van de Jacob te brengen. Het opschrift “JE SUIS LE VRAI JACOB” is het algemeenst en claimt de originele versie te zijn. Daarnaast komt “JE SUIS LE BEAU JACOB” (noot 1) voor, ongetwijfeld de mooiste; “JE SUIS LE VIEUX JACOB” (noot 2) refereert aan de oudste en meest oorspronkelijke versie. Verder kennen we talloze varianten als “JE SUIS LE BON JACOB” (noot 3) of “JACOB C’EST MOI” (noot 4). Bij Belgische bedrijven zijn ook enkele Nederlandstalige opschriften in productie, zoals “IK BEN DE WARE JACOB” (noot 5), maar vaker nog wordt de Belgische wapenspreuk “UNION FAIT LA FORCE” (noot 6) op de tulband vermeld.

De inventie van de Jacobpijp ligt ergens kort na het jaar 1860. Binnen één of twee decennia wordt de Jacob dè populaire pijp voor de plattelander in Frankrijk en België en zelfs in verschillende andere landen. Hoe en waarom dit model zo snel zo’n grote populariteit kon krijgen is volstrekt onduidelijk. Wel is zeker dat het gaat om een pijp bestemd voor de plattelander, een boerenpijp dus. De inspiratie tot deze voorstelling zou de Jacob uit de bijbel zijn, zoon van Isaak en Rebecca, vader van de twaalf zonen die de twaalf stammen van Israël zouden voortbrengen. Andere lezingen spreken van de trombonist Henri-Jacob, die in het zoeavenleger vocht. Dat een relatie met de bijbelfiguur meer voor de hand ligt wordt bewezen door twee varianten van dit ontwerp die Isaak en Abraham voorstellen.

De portretkop van Isaak werd gemaakt door de illustere Franse fabriek Duméril uit Saint-Omer (afb. 2, noot 7). Deze fabriek kenmerkte zich door een buitengewoon origineel product waarin een grote ontwerpverdienste besloten ligt. Bij Duméril was men niet snel geneigd om naast eigen scheppingen imitaties van andere fabrieken te maken. Deze Isaak pijp van Duméril vormt echter een uitzondering op de regel. De kleine gezichtpijp wijkt nauwelijks af van de gangbare Jacob, behalve dat het modelé iets zwieriger is en natuurlijk is het opschrift anders. Op de tulband ontbreekt het tekstlint, aan de ketelbasis is tweemaal in een rechthoek het woord “ISAAC” aangebracht. In het licht van de talloze verdienstelijke figuraties die Duméril uitvoerde, is de Isaakpijp dus onbeduidend vanwege het gebrek aan originaliteit.

De Abrahampijp
Een tweede variant op de Jacobpijp werd door een Belgische fabriek op de markt gebracht, waarvan tot op heden geen letter geschiedenis is teruggevonden. Opnieuw gaat het om een gebaarde mannenkop, alleen op het lint op de tulband lezen we geen tekst gewijd aan Jacob maar “LE VERITABLE ABRAHAM”, de ware Abraham dus (afb. 3). Ook de modellering is anders dan bij de Jacobpijp gebruikelijk is. De baard is wat naturalistischer weergegeven en aan de onderzijde zijn weliswaar twee rechthoekige tekstlinten aangebracht, maar een opschrift ontbreekt. Verder zijn de kwasten van de tulband vervangen door een geborduurde slip die recht naar beneden afhangt. Van dit product zijn geen oorspronkelijke, gemerkte exemplaren teruggevonden zodat het bewijs wie de fabrikant was voorlopig ontbreekt, al lijkt het om een product van Henri Cuvellier te gaan (noot 8).

Een deel van het vormenbestand van deze vrij onbekende Belgische fabriek kwam na voorspraak van een Antwerpse handelaar in 1880 in het bezit van de Goudse pijpenfabrikant Pieter Goedewaagen (noot 9). Tot de koop behoorde ook deze vierdelige messing mal, die als de andere Jacobvormen van een vernuftig stukje vormmakersvakmanschap getuigt (afb. 4). Bij de firma P. Goedewaagen & Zoon continueerde de productie uit deze persvorm, al lijkt dit mondjesmaat het geval te zijn geweest. De afzet van manchetpijpen bij Goedewaagen kreeg nooit een werkelijk belang, maar ter completering van het assortiment was deze Abrahamkop zeker welkom. De verkoop beperkte zich tot enkele Nederlandse detaillisten en het is de vraag of de pijp geregeld werd nabesteld. Verder vonden kort na 1900 enige verschepingen naar een handelshuis in New York plaats.

Bij Goedewaagen behoorde de Abrahamkop tot de luxere soort kleipijpen. Behalve in witte klei werd deze in verschillende andere afwerkingen geleverd. De beschildering met verf in de trant van het emailleerwerk van de Franse pijpen, standaard bij de gewone Jacobkoppen toegepast, gebeurde bij mondjesmaat (afb. 5). De doffe verfstreken waren weinig geslaagd ten opzichte van het glanzende schilderemail van de Belgische en Franse bedrijven en bij het gebruik sleet de verf snel weg. Daarnaast werden geheel gekleurde versies in omloop gebracht, opgeschilderd met getinte lak of matte verf, waardoor de pijp een totaal ander voorkomen kreeg. Vooral de groenige bronskleur was bijna niet van een gepatineerd bronzen beeld te onderscheiden en oogde prachtig (afb. 6). De meest luxe exemplaren werden gecalcineerd afgewerkt, waarbij de geelgetinte lak rond de ketelopening bruingebrand werd alsof er sprake was van een reeds lang gerookte meerschuim pijp (afb. 7). De bijzonderste uitvoering is overigens de steenrode versie, die van roodbakkende klei is gemaakt, overdekt met een speciale matte dieprode oxideverf (afb. 8).

Tegen de Eerste Wereldoorlog raakt de Abrahamkop uit de gratie, de productie stopte en de persvorm bleef onaangeroerd in het vormenhok van de fabriek staan. Wel handhaafde men de afbeelding in de fabriekscatalogus (afb. 9), waarmee de pijp haar rol als luxueuze aanvulling op het assortiment behield. Reden om dit pijpmodel uit de productie te nemen lag in eerste instantie in de techniek. De kasters werden voor vormen van vier onderdelen extra betaald, hetgeen voor de prijs van het product onvoordelig uitkwam. Bovendien gaf de pijp een relatief hoog percentage uitval, doordat de ketelwand zwakke plekken vertoonde of zelfs was doorgestoken, terwijl tijdens het bakken nogal eens een product sprong. Een andere reden was het geringe marktsucces. De Nederlandse roker was onbekend met de figurale tabakspijp en vond deze te zwaar van gewicht en te duur ten opzichte van andere pijpmodellen. Voor export gold dat deze figuurpijp onvoldoende modieus was in vergelijking met de producten van buitenlandse bedrijven, met name van de Franse fabrieken.

De gegoten Abraham
Het is buitengewoon onverwacht dat de Abrahamkop rond 1925 een comeback maakt. Inmiddels is de firma Goedewaagen een NV geworden en heeft het predikaat Koninklijk gekregen. In die tijd breidde de fabriek zijn productielijn uit met onder meer gegoten tabakspijpen, een techniek die vooral een luxer marktsegment bediende. Aanvankelijk produceerde men enkelwandig geglazuurde pijpen, rond 1920 komen er holwandige versies bij. Voor Gouda is deze techniek nieuw, doch bij Duitse fabrieken werd deze methode al in de eerste helft van de negentiende eeuw toegepast.

Goedewaagen introduceert de holwandige pijp rond 1920 en deze wordt aanvankelijk aangeduid met de naam duplex, ontleend aan de dubbele wand van de pijpenkop (noot 10). De holwandigheid werd verkregen door tijdens het gieten een stop in de gipsen pijpvorm te plaatsen. De vloeibare klei zette zich niet alleen langs de buitenwand van de pijpenkop af, maar ook langs de stop. Wanneer de wanddikte voldoende was aangezet, werd de gietvorm leeggegoten en dankzij de stop in de ketel ontstond een holle tussenruimte. Voor deze werkwijze vraagt Goedewaagen in 1920 een patent aan, dat uiteindelijk in 1924 wordt toegekend. Vanaf dat moment wordt het octrooinummer 12.201 op de steel van de pijpen aangebracht, om de patentverlening te benadrukken en het product extra cachet te geven.

De holwandigheid is voornamelijk bedoeld om het comfort van de roker te vergroten. In de holle tussenruimte circuleert de tabaksrook zodat teer en nicotine tegen de ruwe ceramische scherf kunnen neerslaan. Gevolg is dat de roker een koelere, drogere rook in de mond krijgt, deels nog ontdaan van ongewenste stoffen. Wanneer de holwandige pijp op de markt komt, verandert Goedewaagen de naam in de meer intrigerende aanduiding baronite. De eerste series van deze pijpen zijn volledig geïnspireerd op het traditionele model van de houten pijp, waartegen de fabrikant van kleipijpen het hardst moest concurreren. Al gauw ontdekt men dat de holwandigheid een vrije vormgeving mogelijk maakte. Zo ontstaan figurale baronitepijpen, waarvan de Abrahampijp de eerste is.

Geïnspireerd op de bestaande gekaste versie, het model 204, wordt onder nummer 805 een gegoten versie van Abraham gelanceerd waarvan de vormgeving regelrecht is afgegoten van de geperste voorganger (afb. 10). De officiële naam van dit model luidt Abrahamskop kernpijp, het laatste woord duidt op het gebruik van een kern, een stop voor het realiseren van de holwandigheid. Zelfs het tekstlint met opschrift blijft ongewijzigd. Voor het bereik van een grotere klantenkring was het logisch geweest de pijp nu om te dopen tot Jacobpijp, maar vermoedelijk had de modellenmaker bij Goedewaagen geen weet van de betekenis van dit model in België en Frankrijk en volgde hij het bestaande voorbeeld klakkeloos na. Onmiskenbaar voordeel ten opzichte van de gekaste versie is de holwandigheid van de nieuwe schepping, waardoor de pijpenkop met behoud van het forse formaat lichter van gewicht werd en bovendien koeler en droger rookte.

De gipsen moedervorm voor de baronite-Abraham (afb. 11) is evenzeer een staaltje van vakmanschap als de vijftig jaar oudere versie van messing. Om de pijp goed lossend te krijgen, moest bij de gietpijp ook met een vierdelige vorm worden gewerkt en de stukken zijn identiek aan die van de messing persvorm. In de twee vormhelften sluiten twee aanvullende vormdelen voor het optimaal lossend maken van de pijpenkop. De grote inzet diende voor de voorzijde van de ketel, het kleine stuk voor de achteronderzijde. Dat de vorm vele malen forser is dan de metalen tegenhanger heeft te maken met het feit dat men bij het gieten een zekere gipsmassa nodig had voor opname van het vocht uit de klei. Bij perspijpen was daarvan geen sprake. Behalve voor het uithalen was ook bij het afwerken, het zogenaamde sponzen van de naden van de pijp meer tijd nodig dan bij de onversierde pijpenkoppen. Positief bij dit figurale ontwerp is dat de reliëfdecoratie het hechten van het glazuur bevorderde.

Variaties op het thema
De ontwikkeling van de holwandige Abrahampijp heeft niet in één stap plaatsgevonden. Daarvan getuigen de verschillende exemplaren die van deze pijp bestaan en zij vormen het bewijs van de evolutie die dit verouderde model in de twintigste eeuw doormaakte. Dankzij de koop van de fabrieksinventaris van de Koninklijke Goedewaagen in de jaren tachtig door het Pijpenkabinet en het systematisch verzamelen van voorbeelden van deze pijp, kon de ontwikkelingsgang van dit model als een soort genealogie worden achterhaald. Terwijl de Abraham bij Goedewaagen tot in de jaren 1950 evolueerde, verdween de traditionele, gekaste Jacobpijp bij de meeste pijpenfabrieken in de loop van de jaren twintig en dertig geleidelijk uit het assortiment. Overigens wordt dit marktsegment slechts ten dele door Goedewaagen overgenomen.

De detailverschillen in de Abrahampijp hebben te maken met de vormgeving en de stevigheid van het product, maar ook met de advertentiewaarde van het steelopschrift. Vormveranderingen zijn bij gietpijpen gangbaarder dan bij geperste producten. De gietvorm van gips heeft namelijk geen lange levensduur en vooral de moedervorm gaat betrekkelijk kort mee. Na minder dan honderd exemplaren dient zij te worden vervangen, waarbij aanpassingen aan de moedermal mogelijk zijn.

Zoals opgemerkt is de oudste versie van de Abrahamkop de meest zuivere navolging van de gekaste Jacob (vergelijk afb. 2 en 10). Daarbij is de vormgeving volledig onveranderd gebleven. Toch heeft de pijp niet dezelfde uitstraling als de gekaste tegenhanger. Doordat de gietpijp van een transparante glazuur werd voorzien, kreeg het product een glanzend uiterlijk met een iets zwakkere modellering. De scherpe randen van het ontwerp worden door het loodglazuur afgerond, terwijl de dieper liggende delen zich met transparant glazuur vullen. Zo ontstaat een rondere vorm met een glad uiterlijk, die prettig in de hand ligt. Op de steel van het oudste exemplaar lezen we in intaglio links “GOEDEWAAGEN” en rechts “NED.OCROOI 12.201” (noot 11).

In het interbellum verkocht de Koninklijke Goedewaagen de Abrahamkop nog vanuit de voorraad, zoals ook voor de andere pijpmodellen gold. Dat betekende dat men in de fabriek van ieder model voorraad aanhield en de productie pas plaatsvond als de stock begon te slinken. Wanneer herproductie plaatsvond, was het tijd het model en de uitvoering te heroverwegen, vormaanpassingen te doen en vaak werd dan ook de prijs bijgesteld analoog aan de economische situatie binnen het bedrijf op dat moment. Omdat er voldoende exemplaren van de Abrahampijp bewaard zijn gebleven, kunnen we enkele fasen uit de productie nu onderscheiden, al is het niet mogelijk daaraan een exact jaartal te koppelen.

De eerste vormverandering komt al gauw waarbij men het pijpmodel wat imposanter wil maken. Daarbij werd de baard van Abraham iets verder naar de zijkanten uitgewerkt zodat een forsere kop werd verkregen. Model voor deze verandering stond ongetwijfeld een oorspronkelijke gekaste Jacob van een Belgisch of Frans bedrijf. Van deze nieuwe schepping bleef de originele gipskern bewaard (afb. 12), maar ook enkele pijpen (afb. 13). Naast deze esthetische aanpassing werd de ketelinhoud iets verkleind met als winst dat de holle tussenruimte in omvang toenam. Zo werd de koelende en rookzuiverende werking van de binnenruimte effectiever. Bij het tweede type zien we dus naast een bredere baard ook een iets forsere vlakke filtrand (afb. 14).

Manchetkoppen van dit genre werden aan een weichselhouten roer gemonteerd, waardoor er nogal wat druk op de manchet kwam te staan. Het risico van het barsten van de manchet was naast het breken van de binnenketel aanzienlijk. Het is dus niet verwonderlijk dat deze manchet in de jaren 1930 werd verzwaard en een forsere uitvoering kreeg (afb. 15). Reden voor deze verzwaarde manchet was het gegeven dat de consument minder vertrouwd was geraakt met de stevigheid van ceramiek. Bij het klemmen van het roer na het schoonmaken van de pijp werd de breukgrens soms overschreden hetgeen het einde van de pijp betekende. Gelijktijdig met deze aanpassing werd de steel iets dikker al bleef het intaglio steelopschrift ongewijzigd.

De productie van de Abrahampijp wordt na de Tweede Wereldoorlog weer opgepakt. Tussen de gladde modellen en enkele minder opvallende figuurpijpen, vormt de Abrahamkop de klassieke, rustieke noot in het assortiment. Zij is de pijp bestemd voor de traditionele roker die iets bijzonders zoekt. Omdat in 1950 de rechten op het octrooi zijn verlopen wordt het steelopschrift vereenvoudigd en lezen we links “GOEDEWAAGEN” en rechts “HOLLAND” (afb. 16). De productie van de jaren 1950 continueert tot ongeveer 1960. Uit die periode bestaan twee opschriften van het woord “HOLLAND”, een grote en een kleinere (afb. 17). Opmerkelijk is dat de bewaard gebleven moedervorm een derde variant laat zien, die nog niet als pijp is aangetroffen. Bij die vorm is namelijk het opschrift “HOLLAND” achterwege gelaten (vergelijk afb. 11). Na 1960 vindt geen productie meer plaats. Geleidelijk wordt de restantvoorraad uitverkocht waarna de pijp definitief uit het assortiment verdwijnt.

Vanaf het begin van de productie van de gegoten versie wordt een beschildering in drie of vier heldere kleuren toegepast. Naast wit komt groen, rood en geel voor. Deze beschildering is uiteraard afgekeken van de kleurige schilderemail van de Belgische en Franse Jacobpijpen. Bij Goedewaagen is echter sprake van onderglazuur kleuren, die minder expliciet zijn vanwege het toch al glanzende glazuur waarmee ze worden overdekt. Wel blijven deze kleuren tijdens het roken goed zichtbaar en zelfs bij het bruinkleuren van de pijp zorgen zij voor een vrolijke uitstraling. Vooral het royaal toepassen van wit op de baard van de Abraham maakt dat de pijp na intensief gebruik toch een fris voorkomen behoudt. Omdat de productie in de loop van de tijd steeds gestroomlijnder plaats moest vinden, gebeurde het opschilderen haastiger. Een belangrijk verschil is het gebruik van wit onder het glazuur. Aanvankelijk werd dit met zorg geschilderd en zorgde bij een weldoorrookte pijp voor een fris accent, doch geleidelijk zien we haastig aangebracht wit om vervolgens nagenoeg te verdwijnen. Op de verkoop had deze verandering geen negatief effect, de witte verf manifesteerde zich pas na langdurig gebruik.

De appreciatie van de Abrahamkop
Het is onduidelijk wat de consument van de Abrahampijp heeft gevonden. De oorspronkelijke Jacobpijp werd in Nederland nauwelijks gerookt en is zeker nooit populair geweest. De gekaste versie van de Goedewaagen Abraham heeft evenmin een imago kunnen vestigen, ook deze pijp werd slechts mondjesmaat op de Nederlandse markt afgezet. Voor de Hollandse roker behoorde de gekaste Abrahampijp tot de curiositeiten onder het rookgerei en paste eerder in de categorie geschenkartikelen, dan dat er een bestendige klantenkring voor heeft bestaan. De export van gekaste Abrahamkoppen heeft dit matige economische rendement echter goedgemaakt. Overigens betreft dat niet de export naar België en Frankrijk want daar was de pijp te a-typisch omdat de roker er naar een Jacobpijp vroeg. Wel vonden aanzienlijke verschepingen naar Noord- en Zuid-Amerika plaats, in het kielzog van enorme massa’s goedkopere Goedewaagenpijpen (noot 12).

De gietversie van de Abraham is deels hetzelfde lot beschoren. Ook hier gaat het om een assortimentsaanvulling op de gangbare modellen en de meeste Nederlandse rokers zullen na ampele overweging voor een gladde pijp hebben gekozen. Uit de frequentie van voorkomen van de pijp in de antiekhandel in de afgelopen jaren blijkt dat de verkoop op de Nederlandse markt toch niet onbelangrijk is geweest. De productie is echter opgezet met het oog op export en wel speciaal voor de Belgische en Franse markt, waar Goedewaagen veel klanten had. Daar appelleerde deze prachtige glanzende Jacob aan een bestaand fenomeen, terwijl deze moderne versie tevens begeerd was vanwege haar luxe voorkomen en droogrokende kwaliteiten. In tweede instantie vindt verkoop plaats naar de Verenigde Staten, zeker wanneer Goedewaagen in de jaren 1950 de contacten met de firma Wally Frank bestendigt.

Voor de consument vervult de Abrahampijp de rol als aanvulling op het standaard rookgerei. Het was de curieuze figuurpijp, een krijgertje als uitzondering die tevens een kennismaking was met de andere manier van roken: het gebruik van een ceramische pijp met een holwandig systeem. De verkoopcijfers van de baronite Abraham zijn helaas niet bekend. We mogen concluderen dat het voorkomen van minimaal vijf verschillende gietmallen voldoende bewijs levert voor een geregelde afname al kan het ook zijn dat de Koninklijke Goedewaagen bij herhaling gepoogd heeft dit product op de markt te zetten. In ieder geval is de uitlooptijd van de voorraad lang geweest. Aan het begin van de jaren 1970 zijn deze modellen in sommige Nederlandse tabakswinkels nog verkrijgbaar geweest.

Over de prijs is al even weinig bekend als over de afzet. Vanuit de fabriek lag deze aan het begin van de jaren 1950 op 33 gulden per dozijn ofwel ƒ 2,75 per stuk (noot 13). Bij verkoop aan de consument kwam deze prijs op ongeveer het dubbele, afhankelijk of er wel of niet sprake was van een grossier als tussenhandelaar en natuurlijk de marge van de detaillist. In 1958 ligt de prijs op ƒ 36,30 per dozijn, ofwel iets meer dan drie gulden per stuk (noot 14). Dat het product ondanks die forse prijsstelling onvoldoende rendeert blijkt uit een prijsverhoging van drie jaar later (noot 15). Dan noteren de Abrahamkoppen ruim vier gulden per stuk vanaf de fabriek. De forse prijsverhoging wekt de indruk dat de voorraad moest worden aangevuld en dat bij herproductie de kostprijsberekening aanzienlijk hoger uitkwam. Met een aanzienlijke stukprijs is het begrijpelijk dat dit pijpmodel niet bij grote aantallen is verkocht.

Slotwoord
Kortom, de Abrahampijp, waarvan de oorspronkelijke productievorm van messing werd overgenomen uit een failliet Belgische bedrijf, heeft bij de firma Goedewaagen voldoende economische impulsen opgeleverd. De gekaste Abrahamkop fungeerde primair als assortimentsaanvulling. Het pijpmodel genoot matige verkoop maar de aanschafprijs van de persvorm overwegende is met de oplage ruimschoots winst gemaakt. De arbeidsintensieve productie bleek uiteindelijk de reden om dit model te schrappen. Daarnaast was de mode van de tabakspijp rond het jaar 1900 zodanig veranderd dat de vraag te gering was geworden.

Omstreeks 1925 bracht Koninklijke Goedewaagen een gegoten versie van de Abrahampijp op de markt. De gietmal daarvan is verschillende malen nadien aangepast om aan de eisen van de roker èn de advertentiebehoefte van de fabrikant te voldoen. Ook bij dit moderne gegoten product blijkt niet van grootse verkoop, doch over de jaren heen zal het ontwerp zeker zijn rendement hebben opgeleverd. In feite zien we bij de gegoten pijp hetzelfde patroon als bij de gekaste voorganger. Door stijgende loonkosten neemt de kwaliteit af terwijl de prijs steeds verder oploopt. Uiteindelijk wordt de pijp uit het assortiment verwijderd mede omdat het model een te verouderd voorkomen heeft. De laatste voorraden worden nog in de jaren zestig uitgeleverd, terwijl sommige detaillisten het product in de tweede helft van de jaren zeventig nog in de verkoop hebben.

Wat deze detailstudie interessant maakt, is dat dankzij de bestudering van productiemateriaal en de bewaard gebleven pijpen, een ontwikkeling in detail binnen één pijpmodel is verkregen, die loopt over de tijdsspanne van bijna een eeuw. Die informatie is exemplarisch voor veel producten uit het fabrieksbedrijf. Zij laat zien dat de fabrikant bij het lanceren van producten vaak een keuze maakt die vanuit beperkte, soms zelfs willekeurige gezichtspunten wordt gestuurd. Een toevallig aangekochte persvorm of een afgietsel van een bestaand product is de aanleiding een artikel te lanceren. Wanneer dat product op de markt aanslaat ontaardt dit in succesvolle verkoop. In andere gevallen is zo’n artikel geen winstmaker maar levert in de loop van de jaren toch een zeker rendement. Een product dat faalt brengt het niet verder dan het stadium van enkele proefmodellen, het wordt niet op de markt gebracht en vormt voor de fabrikant louter een verliespost. Dat lot bleef de beide versies van de Abrahampijp bespaard.

© Don Duco, Stichting Pijpenkabinet, Amsterdam, 2000.

Afbeeldingen

1. Jacobpijpen van verschillende bedrijven in de drie standaardformaten, groot, middel en klein. Frankrijk, Saint-Omer, firma Louis Fiolet en Givet, firma J. Gambier, 1880-1910.
Amsterdam, Pijpenkabinet Pk 5.755c Fiolet mignon, Pk 5.756 Fiolet petit, Pk 8.825 Gambier moyen, Pk 6.434 Gambier grand

2. De Isaac pijpenkop als uitzondering op de eindeloze reeks Jacobpijpen. Frankrijk, Saint-Omer, firma C. Duméril, Leurs Fils & Cie, 1865-1875.
Amsterdam, Pijpenkabinet Pk 8.837

3. De ware Abraham als geëmailleerde pijp met het kenmerkende Belgisch-Franse schilderemail. België?, 1870-1880.
Amsterdam, Pijpenkabinet Pk 11.149

4. De messing persvorm voor de Abrahamkop bestaande uit vier delen. België, omgeving Luik, 1865-1875.
Amsterdam, Pijpenkabinet Pk 12.204

5. Abrahamkop met in emailtrant opgeschilderde kleuren in gewone verf. Gouda, firma P. Goedewaagen & Zoon, 1910-1920.
Amsterdam, Pijpenkabinet Pk 3.800

6. Abrahamkop afgewerkt met een op gepatineerd brons lijkende verf. Gouda, firma P. Goedewaagen & Zoon, 1900-1910.
Amsterdam, Pijpenkabinet Pk 5.848

7. Abrahamkop voorzien van een calciné gebrande lak. Gouda, firma P. Goedewaagen & Zoon, 1890-1910.
Amsterdam, Pijpenkabinet Pk 2.144

8. Abrahamkop geschilderd in steenrood op roodbakkende klei. Gouda, firma P. Goedewaagen & Zoon, 1890-1910.
Amsterdam, Pijpenkabinet Pk 11.248

9. Pagina uit de fabriekscatalogus waarop de Abrahampijp nog als assortimentsaanvulling prijkt. Gouda, firma P. Goedewaagen & Zoon, 1912.
Amsterdam, Pijpenkabinet Pk 10.052

10. De oudst bekende versie van de gegoten Abraham. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, c. 1925.
Amsterdam, Pijpenkabinet Pk 1.366

11. Gipsvorm in vier delen, als sluitsysteem voorzien van rechthoekige sleutels. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, 1950-1960.
Amsterdam, Pijpenkabinet Pk 12.805

12. Gipskern met stop die als moedermodel in de vormmakerij werd bewaard. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, 1925-1928.
Amsterdam, Pijpenkabinet Pk 6.137

13. De veranderde Abraham met bredere baard en een grotere tussenruimte in de ketel. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, 1928-1935.
Amsterdam, Pijpenkabinet Pk 14.170

14. De filtranden van de vroegste versie (links) en van de vergrote binnenketel (rechts) van boven gezien. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, c. 1925 en 1928/1930.
Amsterdam, Pijpenkabinet Pk 1366, Pk 14.170

15. De Abrahampijp voorzien van een dikkere steel en zwaardere manchet. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, 1930-1940.
Amsterdam, Pijpenkabinet Pk 11.060

16. De Abrahampijp voorzien van een nieuw steelopschrift met “GOEDEWAAGEN” en “HOLLAND” met grote en kleine letters. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, 1950-1960.
Amsterdam, Pijpenkabinet Pk 5.851, Pk 13.193

17. Tweemaal de steelopschriften “HOLLAND” in grote en kleinere letters. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, 1950-1960.
Amsterdam, Pijpenkabinet Pk 13.193 (groot), Pk 5.851 (klein).

Noten

1. Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 13.480 en Pk 15.836 Schmidt frères, Schoeneck, Frankrijk, Pk 5756 Louis Fiolet, Saint-Omer, Frankrijk.

2. Pk 8.153 Levêque, Andenne, België.

3. Pk 12.695 firma Dutel-Gisclon, Montereau, idem Pk 1.442 Jean Jacques Knoedgen, Brée, België.

4. Pk 8.174 Noël Frères, Givet, Frankrijk.

5. Pk 12.751 Jean Jacques Knoedgen, Brée, België.

6. Pk 8.234 Wingender frères, Chokier, België.

7. Pk 8.836 Dumril Leurs & Cie., modelnummer 2258.

8. Gouda, Streekarchiefdienst Hollands Midden, Goedewaagen Archief nr. 449, fol. 13.

9. D.H. Duco, Koninklijke Goedewaagen, een veelzijdig ceramisch bedrijf, Leiden, 1999, p 44.

10. Duco, (Koninklijke Goedewaagen), 1999, p 120.

11. Pk 14.170, opschrift “NED.OCTROOI 12.201”.

12. Don Duco, ‘Een exportcatalogus van Goedewaagen’, Pijpelijntjes, III-3, juli-sept. 1977, p 3-7.

13. Pk 7.578 Goedewaagen catalogus 14, model 805 ƒ 33,- per dozijn.

14. Pk 6.223a Goedewaagen catalogus 1958.

15. Pk 6.223b Goedewaagen catalogus 1961.

1. Jacobpijpen van verschillende bedrijven in de drie standaardformaten, groot, middel en klein. Frankrijk, Saint-Omer, firma Louis Fiolet en Givet, firma J. Gambier, 1880-1910.
2. Voorzijde van de Isaac pijpenkop als uitzondering op de eindeloze reeks Jacobpijpen. Frankrijk, Saint-Omer, firma C. Duméril, Leurs Fils & Cie, 1865-1875.
2. Zijkant van de Isaac pijpenkop als uitzondering op de eindeloze reeks Jacobpijpen. Frankrijk, Saint-Omer, firma C. Duméril, Leurs Fils & Cie, 1865-1875.
3. De ware Abraham als geëmailleerde pijp met het kenmerkende Belgisch-Franse schilderemail. België?, 1870-1880.
3. De ware Abraham als geëmailleerde pijp met het kenmerkende Belgisch-Franse schilderemail. België?, 1870-1880.
4. De messing persvorm voor de Abrahamkop in gesloten toestand. België, omgeving Luik, 1865-1875.
4. De bovenzijde van de messing persvorm voor de Abrahamkop. België, omgeving Luik, 1865-1875.
4. De messing persvorm voor de Abrahamkop in geopende toestand. België, omgeving Luik, 1865-1875.
4. De messing persvorm voor de Abrahamkop bestaande uit vier delen. België, omgeving Luik, 1865-1875.
4. De messing persvorm voor de Abrahamkop bestaande uit vier delen. België, omgeving Luik, 1865-1875.
5. Abrahamkop met in emailtrant opgeschilderde kleuren in gewone verf. Gouda, firma P. Goedewaagen & Zoon, 1910-1920.
6. Abrahamkop afgewerkt met een op gepatineerd brons lijkende verf. Gouda, firma P. Goedewaagen & Zoon, 1900-1910.
7. Abrahamkop voorzien van een calciné gebrande lak. Gouda, firma P. Goedewaagen & Zoon, 1890-1910.
8. Abrahamkop geschilderd in steenrood op roodbakkende klei. Gouda, firma P. Goedewaagen & Zoon, 1890-1910.
9. Pagina uit de fabriekscatalogus waarop de Abrahampijp nog als assortimentsaanvulling prijkt. Gouda, firma P. Goedewaagen & Zoon, 1912.
9. Pagina (detail) uit de fabriekscatalogus waarop de Abrahampijp nog als assortimentsaanvulling prijkt. Gouda, firma P. Goedewaagen & Zoon, 1912.
10. De oudst bekende versie van de gegoten Abraham. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, c. 1925.
11. Gipsvorm met aan de bovenzijde het modelnummer in intaglio. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, 1950-1960.
11. Gipsvorm in geopende toestand met de twee losse onderdelen, als sluitsysteem voorzien van rechthoekige sleutels. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, 1950-1960.
11. Gipsvorm in vier delen, als sluitsysteem voorzien van rechthoekige sleutels. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, 1950-1960.
11. Detailopname van de gipsvorm met de twee losse inzetstukken. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, 1950-1960.
12. Gipskern met stop die als moedermodel in de vormmakerij werd bewaard. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, 1925-1928
12. Gipskern met ernaast de stop die als moedermodel in de vormmakerij werd bewaard. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, 1925-1928
13. De veranderde Abraham met bredere baard en een grotere tussenruimte in de ketel. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, 1928-1935
13. De veranderde Abraham met bredere baard en een grotere tussenruimte in de ketel. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, 1928-1935
14. De filtranden van de vroegste versie (links) en van de vergrote binnenketel (rechts) van boven gezien. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, c. 1925 en 1928/1930
15. De Abrahampijp voorzien van een dikkere steel en zwaardere manchet. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, 1930-1940.
16. De Abrahampijp voorzien van een nieuw steelopschrift met GOEDEWAAGEN en HOLLAND. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, 1950-1960.
16. De Abrahampijp voorzien van een nieuw steelopschrift met GOEDEWAAGEN en HOLLAND. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, 1950-1960.
16. De Abrahampijp voorzien van een nieuw steelopschrift met GOEDEWAAGEN en HOLLAND. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, 1950-1960.
16. De Abrahampijp voorzien van een nieuw steelopschrift met GOEDEWAAGEN en HOLLAND. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, 1950-1960.
17. Steelopschrift HOLLAND in grote letters. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, 1950-1960.
17. Steelopschrift HOLLAND in kleinere letters. Gouda, Koninklijke Goedewaagen, 1950-1960.

< back
<< home

Amsterdam Pipe Museum - the worldwide culture of pipe smoking
©
copyright Amsterdam Pipe Museum - voorheen Pijpenkabinet, Amsterdam

klik hier voor
adres