artikel

Een groep eerste-generatie pijpen
uit Den Haag

Door Don Duco

Reeds in mijn handboek uit 1987 introduceerde ik de term ‘eerste-generatie pijpen’, kleipijpen gemaakt door de vroegste in Nederland werkzame pijpenmakers (noot 1). Geduid wordt op producten uit de tijd voordat standaardisatie in de nijverheid was bereikt, het tijdvak waarin eerder van experimenteren dan van gestroomlijnde productie sprake was. Deze periode vangt aan met de eerste hier te lande werkzame pijpenmakers, die wellicht al rond 1580 zijn gestart. Het eind van deze episode wordt gemarkeerd door het tot volle wasdom komen van de kleipijp, waarbij het model is uitgekristalliseerd en ook de techniek gestandaardiseerd raakte. Dat is het geval in of kort na het jaar 1620.

Zelfs na twintig jaar voortgaande studie van de kleipijp is de prehistorie van de Hollandse roker nog altijd een schimmige periode. Het uiterlijk van de pijpen en het rookgedrag van de eerstelingen kenmerkt zich eerder door vragen dan door feitenkennis. Ondanks de intensieve aandacht voor de talloze losse vondsten van dergelijke vroege pijpjes bestaat er nog veel onduidelijkheid. Zelfs nieuwe vondstcomplexen van pijpen uit de Spoortunnel in Rotterdam, de bouwput naast het Schielandhuis in dezelfde plaats en het materiaal van de Goudse tabagie konden ondanks hun samenhang weinig concrete informatie aanleveren (noot 2). Schriftelijke bronnen die vaste ijkpunen bieden voor de datering van rokers èn pijpmakers zijn schaars en zelden te koppelen aan de vondsten. Het resultaat van al deze pogingen levert niet meer op dan een voorlopige chronologie die een beeld geeft van de veronderstelde ontwikkeling van de kleipijp. Die chronologie gaat primair uit van het ketelmodel waarbij we naast elkaar we twee hoofdtypen onderscheiden: de pijp met de hiel en die met de spoor. Een bescheiden restgroep van eenlingen blijft daarbij even buiten beschouwing.

Een cruciale vraag in die ontwikkeling blijft hoe het hiel- en het spoortype zich tot elkaar verhouden. Onbekend is namelijk welke van de twee het oudste is, waar zij ontstonden en om welke reden zij naast elkaar hebben bestaan. Voor de oorsprong van beide typen is enig inzicht in de ontwikkeling van de techniek van het maken van kleipijpen van belang. Kleipijpen zijn seriële artikelen die in een tweedelige pers- of drukvorm worden gemaakt. Iedere pijpenmaker zal zich gerealiseerd hebben dat wanneer hij tot een zeker productie wilde komen het gebruik van zo’n persvorm onontbeerlijk is. Om die reden zijn alle eerste generatie pijpen al in een tweedelige pers- of drukvorm tot stand gekomen, ongeacht hoe die mal er ook uit heeft gezien.

Wanneer een kleipijp eenmaal is geperst wordt deze uit de vorm genomen en afgewerkt. Tot die handelingen behoren het glad afstrijken van de vormnaden op de ketel en steel, het op lengte afsnijden van de steel en de meest precaire handeling het afwerken van de ketelopening. De primitiefste vorm daarbij is het glad met een mes wegsnijden van de rafelige randen rond de ketelopening. Op die wijze wordt een zogenaamde snijfilt verkregen, gekenmerkt door een scherpe rand met soms op de smalle, vlakke bovenzijde de sporen van het lemmet van het mes nog zichtbaar. Deze manier van afwerken was weliswaar snel en efficiënt, maar niet ideaal. Een snijfilt vraagt om een afronding, esthetisch zowel als vanwege het gebruikscomfort. Bij het stoppen van de pijp door de roker is de enigszins scherpe rand namelijk onpraktisch en bovendien breukgevoelig. Spoedig worden de afwerkhandelingen daarom uitgebreid door de ketelopening af te ronden met een houten of benen tolletje, in vakkringen botter genaamd. Om de bij dit botteren ontstane ring of groef iets onder de ketelopening te maskeren, wordt als versiering al gauw een radering aangebracht, een getand of gekarteld randje.

Bij het hieltype ontstaat deze manier van afwerken met een botter pas in tweede instantie. De vroegste pijpen hebben nog een snijfilt, terwijl de gebotterde exemplaren de snijfiltversie langzamerhand van de markt dringen. Bij het spoortype daarentegen zijn geen voorbeelden met een snijfilt bekend. We zouden daaruit mogen concluderen dat het spoortype dus later is ontstaan, toen het toepassen van botter en radeermes reeds ingevoerd waren. Helaas tasten we over een juiste periodisering hiervan nog in het duister, waardoor het tijdstip van het ontstaan van het spoortype onduidelijk blijft.

Een ander gegeven is dat het pijpmodel met de spoor in Nederland niet lang populair is gebleven. Reeds in de jaren 1610 raakt dit model in onbruik. Het van de markt verdwijnen van het spoortype heeft minimaal twee oorzaken. In Nederland wordt het gestempelde pijpmakersmerk op de hiel van de pijp vanaf 1615 steeds belangrijker. Makers die elkaar beconcurreren adverteren de kwaliteit van hun product middels een merk, dat op de dan nog vrij brede hiel wordt gestempeld. Dit resulteert in een hausse aan merken, aanvankelijk met een grote voorkeur voor het roosmerk. Na 1630 overheerst het initiaalmerk, dat makers een betere mogelijkheid gaf tot persoonsgebonden reclame van hun waar. Hoe dan ook, gestempelde makersmerken zijn vanaf 1620 van belang en de spoorpijp biedt geen geschikte en vanzelfsprekende plaats om een merk te stempelen. Om die reden verdwijnt zij van de markt.

De tweede reden voor een verminderende belangstelling voor de spoorpijp ligt in de gebruiksvriendelijkheid. De sterke knopvormige buitenzijde geeft inwendig een brede vrij lage ketel waarin minder plaats is voor tabak, terwijl deze over een groter oppervlak met meer vuur brandt. Dit bekort de duur van het rookmoment in negatieve zin, waardoor een spoormodel dus betrekkelijk onvoordelig rookt. Bij het leeghalen van de pijp blijft vaak nog onverbrande tabakskruim aan de zijkant van de ketel achter. Tenslotte is er nog een esthetische reden die het voortbestaan van het spoortype in de weg staat: de spoorpijp kan niet op een elegante wijze worden vergroot zonder dat deze zijn balans verliest. In de vormgeving is de tabakspijp met de hiel wat dat betreft uitdagender.

De korte levensloop van de spoorpijp in West-Nederland staat diametraal tegenover de Engelse situatie, waar het spoormodel tot voorbij de eerste helft van de zeventiende eeuw populair blijft. Ook dat gegeven is verklaarbaar. De Engelse pijpennijverheid is nog sterker dan de Hollandse regionaal georiënteerd, waardoor een traditie van merken er in de zeventiende eeuw niet op gang komt. Klaarblijkelijk is er te weinig concurrentie om deze met het gebruik van een merkteken te beslechten. Uitzondering vormen enkele centra verspreid over het land waar dit wel het geval is en juist daar transformeert het spoormodel tot een hieltype om vervolgens een makersmerk te gaan dragen. In Engeland vertegenwoordigt het spoormodel de pijp van de eenvoudige kwaliteit, waarbij opgemerkt dient te worden dat de gemiddelde kwaliteit van de kleipijp er beduidend lager lag dan in West-Nederland in dezelfde periode.

Het Hollandse spoortype heeft dus een gebruiksperiode tussen 1600 en 1620 gehad om daarna definitief te verdwijnen. Het model dankt zijn naam uiteraard aan het voorkomen van een spoor, maar heeft verder nog enkele specifieke kenmerken. Zo is de filt altijd met een botter behandeld en vervolgens van een radering voorzien, de laatste is een noodzaak om de geforceerde ketelopening elegant af te ronden en niet de striem of insnoering van de botter zichtbaar te laten. Het ketelmodel van de Hollandse spoorpijp is heel specifiek en kenmerkt zich door een knopvorm. Het blijft onduidelijk of deze knopvorm Engels van oorsprong is of juist Nederlands. In beide centra is deze pijp gemaakt, doch in Nederlandse vondstcomplexen komen vroeg te dateren exemplaren frequenter voor. Weliswaar bestaan uit Engeland wel vroege spoortypes, maar hun datering moet vanwege hun grote perfectie in afwerking later liggen. Het lijkt dus onjuist dat in Nederland gevonden spoormodellen in het verleden aan Engelse bedrijven zijn toegeschreven. Uiteraard gebeurde dit op grond van hun nogal uitzonderlijke vorm en hun vroege datering in combinatie met de gedachte dat onze eerste pijpen sowieso uit Engeland geïmporteerd waren.

Een mooi voorbeeld van de vondst van vroege spoorpijpen betreft stortmateriaal (afb. 1) aangetroffen in een bouwput op het Plein hoek Lange Houtstraat nummer 1 in ’s-Gravenhage (noot 3). Het gaat om vijftien pijpenkoppen en 31 stelen, waaronder veertien spoormodellen en slechts één hielmodel. Getuige de detailverschillen tussen de pijpen onderling betreft het hier geen materiaal dat één moment is gebruikt. Het gaat om producten die in de loop van een zekere tijd zijn aangeschaft en sporen van gebruik over een bepaalde tijdsspanne weergeven. Deze stelling wordt bewezen omdat er van een zekere ontwikkeling in het materiaal sprake is. De gevonden pijpen laten zich namelijk in drie groepen verdelen, die per groep een stap in de evolutie representeren.

De vroegste voorbeelden zijn het meest primitief. Zij hebben een kleine, nog enigszins vormeloze ketel met een hoogte van 22 à 23 millimeter aan een relatief dikke steel (afb. 2). De steel lijkt heel expliciet aangezien deze in aanzet 9 millimeter dik is ofwel meer dan een derde van de ketelhoogte uitmaakt. Van dit type zijn drie exemplaren geborgen, twintig procent van de totale vondst. Een opvallend en wonderlijk detail bij de drie voorbeelden is de lange dunne spoor, die niet uit andere centra bekend is en beslist een onpraktisch element vormde bij de productie van de pijpen.

Tot de tweede groep behoren pijpen opnieuw met een spoor maar met een hogere ketel die een minder sterke knopvorm heeft (afb 4). Het ketelmodel neigt hierdoor naar dubbelconisch al vertoont het een slanke hals tussen de hiel en steelaanzet enerzijds en het dikste deel van de ketel anderzijds. De grootste diameter van de ketel ligt opnieuw boven het midden. Van deze variant zijn minimaal negen exemplaren gevonden ofwel tweederde deel van het totaal. De hoogte van de ketel is nu toegenomen tot 26 à 28 millimeter, terwijl de steeldiameter zich op 9 à 10 millimeter heeft gehandhaafd. Doordat de ketel hoger maar de steel niet dikker is geworden, is de verhouding tussen ketel en steel sterk verbeterd. Gezien het ruime aantal dat is gevonden, moet dit het gangbare pijptype op de vondstlocatie zijn geweest.

Als groep vertonen deze negen pijpen naast hun model ook in techniek hetzelfde kenmerk: de botter is bij sommige exemplaren fors in de klei gedrukt waardoor aan de steelzijde van de pijp een wonderlijke rug is ontstaan (afb. 7). Een radering moet deze onvolkomenheid maskeren. Reden voor dit euvel ligt in het feit dat de botter en het radeermes bij te zachte klei gehanteerd zijn. Het glazen van het oppervlak is in die periode reeds algemeen: de meeste pijpen zijn zowel op de ketel als op de steel met een polijstinstrument behandeld. Toch is dit werk lang niet zo zorgvuldig gedaan als we in latere tijd zullen zien. De keuze hiervoor wortelt overigens eerder in het beoogde kwaliteits- en dus prijsniveau van de pijpen dan in een nog niet voldoende ontwikkelde techniek.

Tenslotte zijn nog drie tabakspijpen geborgen die tot een restgroep behoren. Bij twee exemplaren (afb. 5) is de spoor getransformeerd in een hielvorm al is deze nog niet expliciet. Gelijktijdig wordt de nauwe hals minder sterk terwijl de kop verder ovaal wordt. Het glazen van het oppervlak neemt in zorgvuldigheid toe en door de glans lijkt de steel dunner. De grotere elegantie wordt uiteraard vooral bewerkstelligd door de veranderde ketelvorm al draagt het toegenomen contrast tussen ketelformaat en steeldikte hier ook toe bij. De hoogte van de ketel ligt nu namelijk op 27 tot 30 millimeter, terwijl de steeldikte zich op 9 à 10 millimeter heeft gehandhaafd. Gevolg van deze maatverschuiving is dat de verhouding tussen ketel en steel opnieuw is verbeterd.

Van de restgroep is één pijp a-typisch (afb. 6). Hoewel het model nagenoeg gelijk is, betreft het een hieltype waarbij de pijpenmaker de hiel in het verlengde van de steel heeft afgesneden, zonder dat deze een zogenaamde stoep vertoont. Ook de afwerking van deze pijp is alleszins zorgvuldiger. Dit komt tot uiting in de buitengewoon regelmatige radering en de prachtige verglazing. Een ander belangrijk kenmerk is het gebruik van een licht blauwachtig getinte klei die vermoedelijk eerder Engels dan Duits of Frans van oorsprong is.

Naast expliciete detailverschillen die een duidelijke ontwikkeling benadrukken vallen aan de pijpen van het Plein nog enkele algemene kenmerken op. Zo wordt de vroege datering van de pijpen ook nog bewezen doordat het oppervlak van ketel en steel nog niet mooi egaal is. De reden voor dit euvel ligt in de persvorm die tijdens de eerste generatie nog niet glad en voldoende strak van uitvoering is. Bij latere persvormen wordt die kwaliteit wel bereikt. Gevolg van een oneffen oppervlak is dat ook bij het glazen het resultaat minder fraai is. Tevens lijkt het polijstwerk nog niet met de agaat te zijn verricht maar met een andere materiaal zoals bijvoorbeeld been. Om die reden is een minder blinkend resultaat verkregen. Tenslotte zijn in sommige gevallen op de stelen vingerafdrukken zichtbaar (afb. 10). Zij vormen het bewijs voor het onvaardig hanteren van de pijp nadat deze uit de persvorm kwam. Ook voor dit euvel kan gelden dat de klei nog te zacht was.

De radering tussen de producten verschilt eveneens sterk. Van de drie vroegste exemplaren zijn er twee voorzien van staande streepjes, de derde vertoont staande driehoekvormen. Type 2 laat nog een grotere variatie zien al gaat het steeds om een brede baan met niet erg scherp begrensde staande streepjes. Bij die raderingen is de aansluiting vaak slordig of soms zelfs scheef. Duidelijk is dat hier van haast bij het werk sprake is geweest. Een uitzondering vormt de a-typische pijp (afb. 6) die een perfecte radering heeft die zeer verfijnd is en uit kleine rechthoekjes bestaat. Zoals al opgemerkt stamt deze pijp uit een ander bedrijf. De kleistructuur is bij alle pijpen min of meer gelijk. Het gaat om fraaie witbakkende klei. De blauwachtige tint die bij vroege modellen vaker voorkomt is hier niet aanwezig, met uitzondering van de laatste pijpenkop.

De gebruikssporen van de gevonden pijpen lopen fors uiteen. Naast een paar niet of nauwelijks gerookte exemplaren is het merendeel van de pijpen tamelijk intensief gebruikt. Dat is zichtbaar aan de brandsporen rondom de filt maar vooral aan de afzetting van koolstof aan de binnenzijde van de ketel. De drie vroegste modellen zijn vaak gerookt, minstens enkele tientallen keren. Voor type twee is één exemplaar niet of nauwelijks gerookt, de rest stevig tot intensief. Bij deze pijpen lopen de gebruikssporen sterker uiteen hetgeen uiteraard ten dele voortkomt uit de grotere kwantiteit. Van de drie latere pijpen is er één ongerookt. Ook hier vormt het a-typische exemplaar weer de uitzondering en springt er uit door zeer intensief gebruik.

Hoewel de standaardisatie en seriële productie in het ambacht van de pijpenmaker aan het begin van de zeventiende eeuw nog niet zo groot is, kunnen we toch concluderen dat deze pijpen niet tot dezelfde levering behoren. Steeds is sprake van detailverschillen in de techniek zodat de producten onmogelijk gelijktijdig kunnen zijn gemaakt. Wanneer de vormdoos gelijk is dan verschilt het radeermes, stemmen beide kenmerken overeen dan is het ene exemplaar door een andere hand geglaasd dan het andere. Kortom, het is zeer onwaarschijnlijk dat de pijpen gelijktijdig zijn aangeschaft, maar het moet gaan om aankopen over een langere tijd.

De datering van de vroegste exemplaren ligt op ongeveer 1605, de meest recente pijp kan kort na 1615 liggen. Bij het terugvinden van vijftien exemplaren over een periode van pakweg tien jaar hebben we een acceptabel verbruik gevonden van een enkele roker. Uitgaande van de gebruikssporen die variëren van 20 tot 90 rookmomenten hebben we bij de totale vondst te doen met ongeveer 700 keer roken. Wanneer het materiaal over een tijdsspanne van 10 jaar is gebruikt, dan is er sprake van wekelijks eenmaal roken. Betreft het echter rookgerei met een gebruiksperiode van bijvoorbeeld slechts een jaar dan gaat het om het roken van zo’n twee pijpen per dag. Uiteraard is iedere berekening in dit verband speculatief al zal de waarheid hier vermoedelijk ergens in het midden liggen. Vertroebelend bij al deze gedachten is nog welk percentage van de pijpen van deze roker is teruggevonden: alles of slechts een klein deel. Daarnaast is het samen roken in die periode vaak gebruikelijk, zodat het zeer goed mogelijk is dat er van meerdere rokers sprake is geweest. In zo’n geval loopt de gebruiksintensiteit uiteraard sterk terug. Dat gasten pijpen inbrachten lijkt hier niet waarschijnlijk want daarvoor vertoont het materiaal een te grote overeenkomst. Wel vormt de laatste pijp met zijn a-typische kenmerken een uitzondering. Dit kan om een van elders meegebracht of ten geschenke bekomen pijp gaan, of door een bezoeker meegebracht exemplaar die ter plekke brak.

Qua herkomst is het zeer waarschijnlijk dat het om Haagse producten gaat, zeker wat betreft de langsporen. Wanneer het geen Haagse makelij betreft dan moeten we de maker toch in de directe nabijheid zoeken, bijvoorbeeld in Delft. Aangezien de nijverheid zich daar al vroeg ontwikkelde kan die plaats voor de aanvoer van pijpen hebben gezorgd. Ook in de stad Leiden is al vroeg gerookt, echter de Haagse vondsten vertonen nauwelijks enige relatie met Leidse producten uit diezelfde periode, die op zich specifieke kenmerken vertonen. Er is ook geen reden aan te nemen dat de pijpen van verder weg zijn aangevoerd. Dit zou bovendien het algemene beeld doorkruisen dat pijpenmakers in de regio de rokers van pijpen voorzagen.

Tot slot nog iets over de sociale positie van het gevondene. De bewoners ter plekke behoorden in die periode tot de elite, het gaat om een huishouden op stand. Daarmee is de kwaliteit van de gevonden pijpen dus in verband te brengen met het betere tot beste milieu, ondanks het betrekkelijk gewone voorkomen van de pijpen. Uiteraard heeft de keuze voor de tabakspijp niet louter en alleen met de portemonnee van de gebruiker te maken, maar vooral met de ontwikkeling van diens smaak en het aanbod op de markt. Alleen wie het beste weet te onderscheiden kan naar het beste vragen en dan valt het nog te bezien of die kwaliteit ook werkelijk verkrijgbaar is. De tabakspijp was in die vroege periode nog een betrekkelijk incourant voorwerp, het mode- en statusgevoel speelden nog weinig part. Toch ligt de kwaliteit van het gevondene iets boven het gemiddelde. Het is representatief voor wat op dat moment kon worden gemaakt en kwalitatief goed genoeg was om ook aan de hogere kringen te worden verkocht. Blijkbaar voelde de pijpenmaker geen behoefte om de kwaliteit nog verder op te schroeven en de consument te verwennen met het allermooiste. Daarvoor was de markt nog onvoldoende gedifferentieerd en het modegevoel nog onvoldoende ontwikkeld.

Zoals deze groep van eerste-generatie pijpen door hun samenhang en vondstlocatie ons iets prijsgeven over de vroege Hollandse rokers, zo is het te hopen dat in de toekomst door oplettendheid van amateur- en beroepsarcheologen meer van dergelijke complexen van vroege kleipijpen uit West-Nederland zorgvuldig worden onderzocht. Wellicht dat de vondstcontext dan opnieuw aanwijzingen kan geven voor een scherper beeld over de vroegste rokers.

© D.H. Duco, Stichting Pijpenkabinet, Amsterdam, 2006.

Afbeeldingen

1. De groep eerste-generatie pijpen afkomstig uit de bouwput Plein hoek Lange Houtstraat 1 te Den Haag.

2. Drie modellen met bolle ketel en extreem lange spoor, 's-Gravenhage?, 1605-1615.

3. Detail van een van de spoormodellen die de kenmerkende radering laat zien.

4. Groep van negen pijpen van een later spoormodel afkomstig uit dezelfde werkplaats, 's-Gravenhage?, 1610-1615.

5. Het spoormodel in zijn derde fase: geleidelijk transformeert de spoor in een hielvorm. 's-Gravenhage?, 1610-1615.

6. De uitzondering uit de vondst afkomstig uit een onbekende werkplaats, West-Nederland?, 1610-1615.

7. Twee pijpenkoppen van type twee die de stevig ingedrukte botter laten zien.

8. Bovenzijde van de vroegste pijpen met zorgvuldige radering rond de ketelopening.

9. Twee pijpenkoppen met de brede radering over een diep ingesnoerde botterlijn.

10. Pijpensteel met moeten en vingerafdrukken veroorzaakt door het hanteren van te zachte klei.

Noten

1. D.H. Duco, De Nederlandse kleipijp, handboek voor dateren en determineren, Leiden, 1987, p 28-31.

2. Don Duco, Goudsche tabagie of gastvrij hoerehuijs, Amsterdam, 1996.

3. Met dank aan Monique van Veen die mij deze groep, gevonden in 2002, onder ogen bracht.

1. De groep eerste-generatiepijpen afkomstig uit de bouwput Plein hoek Lange Houtstraat 1 te Den Haag.
2. Drie modellen met bolle ketel en extreem lange spoor, 's-Gravenhage?, 1605-1615.
3. Detail van een van de spoormodellen die de kenmerkende radering laat zien.
4. Groep van negen pijpen van een later spoormodel afkomstig uit dezelfde werkplaats, 's-Gravenhage?, 1610-1615.
5. Het spoormodel in zijn derde fase: geleidelijk transformeert de spoor in een hielvorm. 's-Gravenhage?, 1610-1615.
6. De uitzondering uit de vondst afkomstig uit een onbekende werkplaats, West-Nederland?, 1610-1615.
7. Twee pijpenkoppen van type twee die de stevig ingedrukte botter laten zien.
7. Twee pijpenkoppen van type twee die de stevig ingedrukte botter laten zien.
8. Bovenzijde van de vroegste pijpen met zorgvuldige radering rond de ketelopening.
9. Twee pijpenkoppen met de brede radering over een diep ingesnoerde botterlijn.
9. Twee pijpenkoppen met de brede radering over een diep ingesnoerde botterlijn.
10. Pijpensteel met moeten en vingerafdrukken veroorzaakt door het hanteren van te zachte klei.

< back
<< home

Amsterdam Pipe Museum - the worldwide culture of pipe smoking
©
copyright Amsterdam Pipe Museum - voorheen Pijpenkabinet, Amsterdam

klik hier voor
adres