artikel

De L gekroond
een vermaard Gouds handelsmerk

Door Don Duco

Als weinig andere steden kent de stad Gouda een bijzondere geschiedenis ten aanzien van het handelsmerk. Deze geschiedenis is tussen 1620 en 1880 door de Goudse pijpenmakers gevormd vanuit het streven om hun persoonlijke merkteken beschermd te krijgen om zich zo van afzet verzekerd te zien. Over de Goudse pijpenmerken is veel geschreven (noot 1). Doorgaans echter richt de informatie zich op het merk en de eigenaar. Het doel is steeds om de Goudse pijp tot op de persoon te determineren.

In dit artikel wil ik van een bekend Gouds pijpenmerk de geschiedenis belichten om duidelijk te maken dat het merkteken onderdeel is van een ver doorgevoerde handelsgeest en zich verheft boven de kleinburgerlijke onderscheidingsdrang. De mogelijkheden tot het reconstrueren van zo'n geschiedenis zijn minder uitgebreid dan we zouden wensen. Het handelsbelang van het pijpenmerk kunnen we tegenwoordig nauwelijks nog inschatten, laat staan dat we de omvang van de productie kunnen achterhalen.

Voor dit artikel is de keuze op het merk L gekroond gevallen (afb 1). Primair houdt dit verband met het feit dat over dit merk voldoende gegevens beschikbaar zijn zodat een complete levensloop te reconstrueren is. Daarnaast vertoont dit merkteken specifieke kenmerken, mede omdat het gedurende een lange periode het schaduwmerk van een handelaar is geweest. Dergelijke aspecten van de geschiedenis van een pijpenmerk werden nooit eerder in publicaties behandeld (noot 2).

De eerste eigenaren
De geboorte van een pijpenmakersmerk vindt plaats op het moment dat een pijpenmakersgezel zijn meesterproef aflegt en een merkteken kiest. De keuze voor een handelsmerk kan op verschillende manieren tot stand komen. De romanticus droomt al lang voor de meesterproef van een teken waarmee hij een persoonlijke band heeft. Dat kan de naam van het pand zijn waar hij is geboren of is opgegroeid, doch vaker is het een algemeen symbool, verweven met zijn eigen interesse. De zakelijke pijpenmaker zal eerder een handelsteken kiezen dat hem economische voorspoed moet gaan bezorgen. Uiteraard staat iedere keuze onder invloed van het heersende modebeeld, want we zien per tijdperk een zekere voorkeur voor bepaalde merktekens. Onder de Goudse pijpenmakersmerken vinden we weinig merken waarvan de ware motieven tot keuze te achterhalen zijn. Dit geldt uiteraard niet voor de lettermerken, die een afkorting van de persoonsnaam zijn.

Het pijpenmakersmerk de letter L gekroond dateert uit de zeventiende eeuw, maar de oudst bewaard gebleven inschrijving stamt uit maart 1726 (noot 3). Op die datum deed Cornelis Lunenburg (sterft 1771) zijn meesterproef en koos dit teken tot zijn merk (afb 2). Cornelis groeide op in de pijpenmakerij: zijn vader was meesterpijpenmaker en ook zijn broer leerde het vak. De Lunenburg's zijn vooral ambachtslieden, waarbij het streven tot zelfstandigheid werd afgewisseld met perioden van arbeid als meesterpijpenmaker voor andere pijpenmakersbazen. Dat gold voor Cornelis Lunenburg maar ook voor diens neven Adriaan en Jacob, die min of meer gelijktijdig hun proef aflegden en de weg naar de zelfstandigheid insloegen (noot 4). Het was het kenmerk van veel Goudse pijpenmakers in die tijd. Zij representeerden niet een huis met standvastigheid maar leefden op de dag en hadden hierdoor vaak een beperkte bestaanszekerheid.

De keuze van Cornelis Lunenburg voor het merkteken L gekroond lag niet direct voor de hand. Merken met een enkele letter waren in de tweede helft van de zeventiende eeuw in gebruik gekomen, doch om de een of andere reden genoot dit type merk in de achttiende eeuw afnemende belangstelling (noot 5). Het merk was weliswaar duidelijker dan het merkteken met twee of meer initialen, maar de relatie met de naam van de eigenaar was minder sterk.

Moge de Lunenburg's uit een familie van pijpenmakers voortkomen, een succesvol geslacht blijkt het niet. Dat geldt ook voor Cornelis: reeds in 1730 doet hij afstand van zijn merk en van zijn vrije ondernemerschap. Hoewel wij hem jaren later opnieuw als zelfstandig pijpenmaker tegenkomen, diende hij tussendoor ook lange periodes als knecht bij een baas, of had zoals vaak voorkomt gevaren (noot 6). Op het moment dat de meesterpijpenmaker zijn zelfstandigheid beëindigde, werd zijn merk vacant verklaard en kon opnieuw worden uitgegeven. Had het merkteken echter marktwaarde dan verkocht hij het aan een andere ondernemer die de orders kon vervolgen.

Op 4 september 1730 ging het merk L gekroond op een nieuwe eigenaar over. Het is Cornelis de Licht (sterft 1761) die op die datum zijn proef voor het gildenbestuur aflegde en het merk L gekroond op zijn naam overgetekend kreeg (noot 7). De Licht was geen gewone pijpenmaker die van plan was een eigen werkplaats te stichten. Hij was geparenteerd aan een rijke koopmansfamilie die eerder de handel in pijpen dan de productie op bescheiden schaal beoogde. Als handelaar moest De Licht de lieve som van dertig gulden entreegeld betalen. De keuze voor het merk L gekroond was door hem zorgvuldig uitgekiend: dit merk had reeds voor 1686 korte tijd bestaan en daarom rustte hierop nog het voorrecht dat op het merk uitbesteding van orders mocht plaatshebben. Uitbesteding betekende dat het merk in andere werkplaatsen mocht worden gezet, waardoor een ongelimiteerde productie mogelijk was. Bij de gewone bedrijven was de oplage nu eenmaal gekoppeld aan de omvang van het pand waarin werd gewerkt.

Cornelis de Licht is voor ons een schimmige figuur gebleven. In de Goudse archieven komt hij amper voor en het vermoeden rijst, dat hij niet als hoofdberoep het koopmanschap in pijpen beoefende, maar vooral koopman in tabak was (noot 8). De handel in pijpen was een logisch gevolg van de tabakshandel, doch of dit in het licht van zijn vermogende positie voor hem lucratief is geweest, blijkt nergens uit. Wanneer De Licht in de archiefstukken figureert, is dat steeds als erfgenaam van aanzienlijke verkrijgingen (noot 9). Bovendien woonde hij in Rotterdam en is een van die schaarse voorbeelden van personen die zich als niet-ingezetene in het Goudse gilde hadden ingekocht om tot merkexploitatie te komen. Het gildenbestuur kon zich met de onduidelijke lidmaatschappen van kooplieden wel verenigen, aangezien de grootscheepse werkuitbestedingen in Gouda voor veel pijpenmakers een belangrijke bestaansbron opleverden. Daarentegen waren veel kleine bazen fel tegen de machtige kooplieden gekant. Doordat zij op orders moesten inschrijven, waren de productieprijzen van de pijpen tot op het laagst denkbare niveau gezakt terwijl de winsten uit de verkoop in de zakken van de kooplieden vloeiden.

Het systeem van inschrijven hanteerden talloze kooplieden en zelfs eigenaren van grote werkplaatsen. Doordat er altijd voldoende bazen om werk verlegen zaten, was dit een voordelige manier om aan de juiste kwantiteit handelswaar te komen en bovendien kon nog een scherpe prijs worden bedongen. De Licht beheerde het merkteken L gekroond gedurende vijftien jaar, maar over de omvang van de orders op dit merkteken blijven wij in het ongewisse.

Door een gelukkig toeval bleef van Cornelis de Licht een verpakkingsmerk bewaard (afb 3). Vanaf 1698 waren de Goudse pijpenmakers verplicht hun tabakspijpen bij verkoop op de markt van een verpakkingsmerk te voorzien (noot 10). Dat merk drukte men op een strook papier, dat over de platte mandjes heen werd aangebracht of om de hoge mand werd gevouwen om vervolgens te worden vastgeplakt (noot 11). Doel was het makersmerk duidelijk zichtbaar te maken, maar tevens een soort verzegeling van de waar te hebben zodat de inhoud gewaarborgd was. Aangezien het hielstempel als verpakkingsmerk esthetisch gezien een weinig geslaagde reclame was, werd het merk al gauw met een omlijsting opgesierd. De ontwerpen hiervoor ontleende men aanvankelijk vooral aan de heraldiek. Door het merkteken in een soort wapenschild af te beelden, kreeg dit de status van een familiewapen (noot 12).

Bij De Licht is de aankleding van zijn merk op zo'n wapenomlijsting geïnspireerd, die bestaat uit een zogenaamde helm waarop een vlucht en dekkleden. Hoewel het ensemble fraai is uitgevoerd, is de schikking toch niet geheel consequent. Zo wordt de helm bijvoorbeeld van de voorzijde gezien, terwijl de vlucht van opzij is weergegeven. De opwaaiende randen van de dekkleden zijn daarentegen wel mooi uitgevoerd.

In het ontwerp werd langs de onderrand het adres ofwel de naam van de maker en de plaats van herkomst opgenomen. De tekst op het vignet van De Licht laat mogelijkheden tot speculatie. Hoewel evenals bij Lunenburg ook bij De Licht het merk L met zijn familienaam overeenkomt, verbasterde de handelaar zijn naam op het drukblok en lezen we Cornelis Delight. Deze fonetische schrijfwijze zou voor hem als koopman met Engelse klanten een positieve naamaanduiding voor zijn waar opgeleverd kunnen hebben, al verdween daarmee onvermijdelijk wel de relatie van het merkteken L met zijn familienaam.

Aangezien de pijpen soms in oplagen van duizenden grossen werden gemaakt, moest het merkendrukblok slijtvast zijn en geschikt zijn voor een grote oplage. Een houtsnede, gesneden uit een kops gebruikt stuk hout, bood die mogelijkheid. Kenmerkend voor het materiaal verraden de ontwerpen van de drukblokken steeds de cirkelvorm van het boomstammetje. Door ongelijke krimp van het hout vertoonden de afdrukken na enkele jaren vaak al krimpscheuren, die ook bij de afdruk van dit blok te zien zijn. Drukblokken van hout behoorden in de jaren 1730 tot de eenvoudige reclamevorm. Alleen enkele vermogende pijpenmakers voerden dan reeds een merk gedrukt met een kopersnede, die een grotere fijnheid gaf en daarmee uitgebreidere mogelijkheden voor ornamentiek.

Zoals opgemerkt bekleedde Cornelis de Licht een merkwaardige positie in de pijpenmakerij. Als niet-ingezetene van Gouda was hij eerder stroman dan handelaar en zeker geen fabrikant van pijpen. In 1745 laat hij zijn lidmaatschap van het pijpenmakersgilde op zijn zoon Jacob de Licht (sterft 1774) overtekenen. Jacob nam ook de inschrijving op het merk L gekroond over. Acht jaar later, in april 1753, doet zoon Jacob echter afstand van zijn merk maar continueert zijn gildenlidmaatschap. De overdrachtsakte spreekt heel toepasselijk van het gebruik van het merk en rept niet over het eigendom ervan. Uit deze overdracht blijkt dat er iets anders aan de hand was. In werkelijkheid bleek de koper al langer gebruik van het merk te hebben gemaakt en was vermoedelijk zelfs ook al veel langer eigenaar. Aangezien iedere pijpenmakersbaas maar één merk mocht voeren, was het echter nodig een schijnlidmaatschap te creëren om het eigendomsrecht van het merk te garanderen. Vader en zoon De Licht vervulden dus slechts de positie van stroman. In 1753 veranderden echter de gildenregels, waardoor het bezit van twee merken tot op zekere hoogte geoorloofd was (noot 13). Voor Frans Verzijl was dit het moment om zijn eigendom formeel te laten vastleggen. Daarom liet hij zich als juridisch eigenaar van het merk aantekenen (noot 14). Verzijl en De Licht deden overigens wel meer zaken en gingen ook vriendschappelijk met elkaar om. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat Verzijl gevraagd werd als voogd over de kinderen van De Licht (noot 15).

De gigant Frans Verzijl
Vanaf 3 april 1753 treedt dus een nieuwe eigenaar van het merk L gekroond naar voren: Frans Verzijl (c. 1699-1785). Verzijl stond weliswaar als pijpenmaker te boek, maar ook bij hem lag zijn voornaamste activiteit op het gebied van de handel. Als zoon van een tabakskoopman was de handelsgeest hem met de paplepel ingegoten en de levering van pijpen lag in het verlengde van de tabaksnering (noot 16). Toen hij in 1724 zijn meesterproef voor het pijpenmakersgilde aflegde, koos hij voor het merkteken Leeuw in de Hollandse Tuin, toen wel kortweg aangeduid als "den hollansen tuyn" (noot 17). Dit merk werd in Gouda al sinds de jaren 1630 met succes gezet. De laatste eigenaar was Jacob Arijse Middelmeer, die dit teken van zijn vader Arij Jacobsz. Middelmeer had overgenomen. Die overname vond in 1719 plaats, nadat de zoon al in 1710 zijn meesterproef had afgelegd. In die eerste periode mocht zoon Middelmeer junior het merk "den hollansen tuyn" alleen op zijn lange pijpen voeren (noot 18). Kennelijk produceerde zijn vader in de laatste periode van zijn leven nog slechts korte pijpen, terwijl hij de lange soorten door zijn vitale zoon liet maken.

Vanzelfsprekend was een merk met een typisch Hollandse voorstelling aantrekkelijk voor de lokale markt. Daarnaast genoot het merk Leeuw in de Hollandse Tuin spoedig ook belangstelling in het buitenland. Of hiertoe al een aanzet was gegeven door Jacob Arijse Middelmeer of dat het de verdienste van Frans Verzijl was, laat zich niet goed duiden. In ieder geval zorgde Verzijl samen met de kooplieden en fabrikanten Bastiaan Overwesel (1716-1783) en vooral Jan Danens (<1700-1778) voor de vaart van schepen met pijpen naar Hamburg en Altona en minder geregeld ook naar Bremen (noot 19). Daar bevonden zich kooplieden die de pijpen naar het Midden-Europese achterland doorzonden, tot in Polen en Rusland toe.

Het belang van Verzijl voor het eigendom van het merk L gekroond is uit vondsten van pijpen gebleken. Om dit te begrijpen moet eerst duidelijk worden gemaakt dat er in het midden van de achttiende eeuw drie hoofdsoorten kleipijpen bestonden. De duurste soort werd aangeduid met porceleijne pijpen en deze aller fijnste waar was aan de kop en aan de steel met agaatsteen gepolijst. Na het bakken werden de pijpen in een bak met een oplossing van zeepsop en bijenwas gedoopt en wanneer de pijpen daarna met een waslap werden gewreven, zagen zij er hagelwit en glanzend uit. De gelijkenis met het fonkelende wit van porselein was compleet. De tweede kwaliteit leek qua model en afwerking op de eerste soort en werd aangeduid met fijne pijpen. Als enig onderscheid werden de stelen van deze pijpen niet met agaat gepolijst. Vanaf 1740 droegen deze pijpen op de zijkant van de hiel een minuscule letter S, de afkorting van slegte ofwel gewone pijpen (noot 20). Deze fijne soort pijpen mocht niet met een waslap worden opgewreven en hadden dus een meer matte uitstraling. De derde soort tenslotte duiden we aan met grove ofwel ongeglaasde pijpen. Hier was sprake van een minder modieus model terwijl zij in het geheel niet met agaat werden gepolijst. Deze pijp werd slechts bij uitzondering van een merkteken voorzien en als dat het geval was werd dit niet op de hiel gestempeld, maar op de zijkant van de pijpenkop in reliëf aangebracht.

Voor de consument was het verschil tussen de fijne en de porceleijne kwaliteit niet altijd voldoende duidelijk. Sluwe kooplieden hadden er een handje van om de beide soorten te mengen en voor de beste prijs te verkopen. Hoewel het pijpenmakersgilde zich tegen deze praktijken trachtte te verzetten, was het niet altijd mogelijk deze fraude te voorkomen. Wanneer een pijpenmaker nu over twee merken kon beschikken, dan werd het mogelijk om de twee soorten ieder van een afzonderlijk merkteken te voorzien waardoor de vermenging van kwaliteiten onmogelijk werd. Frans Verzijl had als koopman behoefte aan een dergelijk onderscheid en de overeenkomst met De Licht tot het gebruik van het merk L gekroond was hierop gericht.

De transactie tussen Jacob de Licht en Frans Verzijl over de overdracht van het merk L gekroond kunnen we dus alleen begrijpen wanneer wij het belang van de kwaliteiten kennen. Het bezit door Verzijl van de twee merken Leeuw in de Hollandse Tuin en L tegelijkertijd was echter alleen mogelijk door het onderhouden van een schijnlidmaatschap, met daaraan verbonden de aanzienlijke kosten van toetreding van een niet-pijpenmaker tot het gilde. In 1753 wordt deze constructie van schijnlidmaatschappen door een reglementswijziging enigszins gelegaliseerd omdat een pijpenmaker voortaan een aangekocht merk in eigendom mag bezitten. De inschrijving in het zogeheten merkencontractboek startte op 3 april 1753 en op die datum werden dertien oude overeenkomsten opnieuw vastgelegd, waaronder als laatste die tussen De Licht en Verzijl.

Frans Verzijl woonde op de Gouwe zuidzijde in een dubbel pand (tegenwoordig nr. 141 en 143). In 1732 werd hij eigenaar (noot 21). In dit pand is nog altijd de gevelsteen te zien met voorstelling van de Leeuw in de Hollandse Tuin. Ter weerszijden van de twee huizen bevond zich een steeg met uitgangen op de Raam, het toenmalige centrum van de pijpen- en pottennijverheid. Toen de zaken bij Verzijl goed gingen, kocht hij in mei 1748 het dubbelhuis Gouwe 145 en 147 erbij. Hij bezat hierdoor vier aaneengesloten panden.

De status van het bedrijf van Verzijl werd ook uitgedrukt met zijn verpakkingsmerk. Hij was een van de eersten die zich niet van een simpel uit hout gesneden embleem bediende, zoals we bij De Licht zagen, maar een speciale kopersnede liet maken. Dergelijke drukplaten werden niet door een houtsnijder gemaakt, maar door een zilversmid. Omdat koper als materiaal grotere mogelijkheden tot detaillering gaf en de zilversmid bovendien beter bekend was met de ornamentiek werd een veel chiquer resultaat verkregen. Het makersmerk werd niet door grove heraldische motieven omlijst maar plaatste men tegen een horizontaal gearceerd veld omlijst door een versiering van lofwerk bestaande uit gestileerde bladeren, rolwerk en culotjes (afb 4). Een cerubkopje bekroonde het merk, waarboven een welgevulde fruitmand met een gevleugeld engelenkopje aan weerszijden (noot 22). Deze drukplaat werd rond 1735 door de Goudse zilversmid Dillis van Oye gegraveerd, die vanaf dat moment vaker graveerwerk voor pijpenmakerbazen verrichtte.

In 1739 en 1740 kregen de pijpenmakers uit Gouda een octrooi van de Staten van Holland en West-Friesland toegekend, waarbij zij als enige het wapen van de stad Gouda als keurmerk van herkomst op hun pijpen mochten voeren (noot 23). Het is dus niet verwonderlijk dat het Goudse wapen snel in groot aanzien stond en ook op de merkplaat standaard als teken van kwaliteit werd toegevoegd. Verzijl liet daarom zijn bestaande drukplaat in 1740 veranderen door er het Goudse wapenschild boven te plaatsen, geflankeerd door twee bosjes van ieder vijf pijpen om de handelswaar te benadrukken. Op het lint dat de verbinding tussen de oude drukplaat en de bekroning vormt lezen we "GOUDSE PIJPEN" (afb 5). Graveur Van Oye realiseerde de toevoeging en bracht op knappe wijze een nieuwe eenheid in de plaat aan.

Een merkwaardige toevoeging aan de merkplaat is bovendien dat we in het tekstlint "FRANS VERSYL IN GOUDA" drie gestileerde boompjes aantreffen. Deze zijn duidelijk niet van de hand van de zilversmid, maar in het bedrijf zelf aangebracht en verwijzen naar het familiewapen van het geslacht Verzijl, waarop drie bomen staan afgebeeld.

Rond 1750 kreeg Frans Verzijl de behoefte zijn verpakkingsmerk aan te passen, om een hogere status aan zijn handelswaar te geven. Inmiddels hadden meer zelfstandige pijpenmakers een drukplaat uit metaal laten graveren en geleidelijk nam ook het formaat van het merkvignet toe. De licht gedateerde en feitelijk te kleine omlijsting van het merk Leeuw in de Hollandse tuin werd toen bestemd voor het merk L gekroond. Voor zijn belangrijkste merk de Leeuw in de Hollandse tuin werd een nieuwe, grotere merkplaat gegraveerd (afb 6). De voorstelling is geplaatst op een lambrequin met servetwerk en kwastjes met een maskerkop aan de onderzijde. Als merkhouders zien we twee staande leeuwen die het merk ophouden, bekroond door het Goudse wapenschild met spreuk "PER ASPERA AD ASTRA", geflankeerd door twee bosjes pijpen, bijeengehouden door een tekstlint waarop "GOUDSE PYPEN". Opvallend is de marktgerichte tekst op de twee linten rond het merk: "DE LEEUW IN DEN HOLLANDSCHEN TUIN" en "TOBAK UND PFEIFEN SEIN BEI GROS UND KLEIN GEMIJN". Onderlangs staat "FRANS VERZIJL IN GOUDA FABRICIRT ALLE SORTE VON PFEIFFE". De Duitse taal refereert uiteraard aan de export naar onze oosterburen.

Producten van Frans Verzijl zijn uit verschillende opgravingen bekend geworden. Het assortiment behoorde indertijd tot een van de uitgebreidste in Gouda in die periode en paste bij de status als fabrikant en exporterend koopman. Het Goudse model met de ovale ketel was standaard in productie en komen we in verschillende formaten tegen (afb 7). Daarnaast is er een gevarieerde reeks exportmodellen waarvan de kromkoppen in de Engels-Ierse smaak en die voor de Duitse markt overheersten (afb 8). De eerste soort is doorgaans kleiner van formaat en wat plomper, de modellen voor de Duitse markt zijn groter en slanker. Veel van dit exportmateriaal is alleen bekend geworden door vondsten uit de plaats van bestemming. Teruggevonden stortmateriaal uit het bedrijf van Verzijl uit Gouda zelf, bewijst echter dat deze buitenlandse pijpvondsten van Goudse origine zijn (noot 24).

De merken Leeuw in de Hollandse tuin en L gekroond kenden ieder hun eigen afzetgebied. De "Hollandse Tuyn" of "Hollandse duit" werd als eerste merk vooral naar Duitsland maar ook naar Frankrijk geëxporteerd, waarbij de kenmerkende ovale pijpenkoppen het merendeel uitmaakten. Merk L gekroond was vanwege zijn lagere verkoopprijs en mindere prestige meer geschikt voor de Schotse en Ierse markt. Uit die landen kennen we van archeologisch werk overigens tal van kromkoppen waarbij het L-merk inclusief het bijmerk van de stad Gouda zijn nagemaakt (noot 25). Zij bewijzen de grote populariteit van het Goudse merk buiten de Republiek. In Scandinavië vinden we een mix van beide merken van Verzijl (noot 26).

De export verliep via kooplieden die de pijpen verder doorverkochten. Op deze wijze bereikten de producten uit de werkplaats van Verzijl alle delen van de wereld. Onbekend is op welke wijze Frans Verzijl deze lucratieve orders naar zich toe wist te trekken. Niet alleen de kwaliteit van zijn product zal daartoe hebben bijgedragen. Een grote fabriek zoals Verzijl bezat, vereiste in ieder geval een constante kwaliteit en een in aanzien staand merk, maar ook een secuur management en een goede handelsgeest om de buitenlandse contacten te leggen en te onderhouden.

Hoe belangrijk de export voor Frans Verzijl was, blijkt onder meer uit een overeenkomst die hij op 1 maart 1757 sloot (noot 27). Middels een contract huurde Frans Verzijl van de pijpenmaker Willem Witsius diens merk WM gekroond. De overeenkomst wordt voor drie jaar aangegaan, waarbij Verzijl de kosten van het gilde van de genoemde Witsius op zich neemt. Onder deze kosten vallen het jaarlijkse gildengeld ofwel het lidmaatschapsgeld voor het gilde dat tweemaal per jaar voldaan moest worden, daarnaast de begrafenispremie, die ervoor zorgde dat Witsius een gildenbegrafenis zou krijgen, de kosten op de bosse ofwel een verzekeringspremie en tenslotte het pijpaardegeld.

Verzijl beoogde het betreffende merk voor zijn exportpijpen te gebruiken, die op de voorzijde in reliëf van het WM-merk werden voorzien (afb 9). Op de hiel dragen de pijpen echter het merk L gekroond. Uit september 1768 is een akte van verlenging bekend, weer voor de periode van drie jaar. Hoewel in de tussenliggende tijd geen akten zijn opgemaakt, mogen we aannemen dat Verzijl het merk WM gekroond doorlopend heeft gebruikt. Wanneer Witsius in 1785 sterft wordt het merk vacant verklaard om pas in 1799 op een andere eigenaar te worden overgetekend. De bijzondere exportorders waren in 1785 echter al beëindigd, waarmee ook de handelswaarde van het merk was vervallen.

Naast de onversierde geglaasde tabakspijpen produceerde Frans Verzijl ook meer prestigieus werk, de zogenaamde hoogversierde pijpen waarvan de ketel en soms ook de steel van een reliëfdecoratie zijn voorzien. Bij deze producten zien we dat het onderwerp van de decoratie vaak een relatie vertoont met de actualiteit in het land van export. Het bekendste voorbeeld daarvan is de uitbeelding van de Vrede van Aken, die in 1748 werd gesloten (noot 28). Ter gelegenheid hiervan is een prachtige vierzijdige pijpenkop gemaakt, die op de hiel van het merk L gekroond is voorzien. De pijpenkop toont de portretten van de keizer en keizerin van Oostenrijk en Hongarije samen met hun wapens (afb 10). Een eenvoudiger product is een reliëfpijp met het wapen van de koning van Zweden (afb 11). Beide pijpenkoppen zijn prachtige voorbeelden van graveerkunst uitgevoerd door de Goudse zilversmeden Dillis of Johannes van Oye.

Een meer opvallende reliëfpijp toont het wapen van Engeland (afb 12) of een heiligenuitbeelding bestemd voor Padua (afb 13). Deze twee producten hebben een zogenaamd kromkopmodel, een vormsoort die op de Nederlandse markt niet bijster populair was. Dat ook deze versierde producten van het merkteken L gekroond zijn voorzien, wordt door de wijze van afzet verklaard. De versierde pijp werd door de fabrikant namelijk kado gedaan bij een mandje met een gros onversierde waar. Omdat het relatiegeschenk maximaal moest aansluiten bij het gros verkochte pijpen werden deze prachtige reliëfpijpen met hetzelfde merk L gekroond bestempeld. In deze uitzonderlijke gevallen stemt het merkteken dus niet met de kwaliteit van het product overeen.

Tot het midden van de achttiende eeuw beleefde de pijpenmakerij in Gouda een geweldige bloei. De productie groeide voortdurend en de vraag naar de Goudse kwaliteitspijpen leek oneindig. Toen echter bepaalde landen en staten de grenzen voor de Goudse pijpen sloten, om hun eigen lokale nijverheid te stimuleren, diende de eerste terugslag zich aan. De omzet van de kooplieden in de verre handelssteden nam af waardoor ook de export moest verminderen. Een concurrentieslag onder de talloze kleine en grotere bedrijven in Gouda kon niet uitblijven zodat bezuinigingen en kwaliteitsvermindering hiervan het gevolg waren. Hierdoor zien we na 1760 de kwaliteit van het product afnemen, terwijl nieuwe artistieke vindingen, waardoor de tijd tot 1750 bekend is geworden, uitbleven. Kortom, men borduurde voort op oude verdiensten. Daarnaast bleven de persvormen langer in gebruik, waardoor minder fraai uitgebalanceerde en bovendien minder zorgvuldig afgewerkte producten ontstonden. Alhoewel de geringe kenmerken van kwaliteitsteruggang alleen voor het geoefend oog waarneembaar waren, kondigden zij reeds een nog grotere malaise in de Goudse pijpennijverheid aan.

De succesvolle handelsactiviteiten van Frans Verzijl brachten hem een overeenkomstige welstand, waaraan weinig pijpenmakers in Gouda zich konden spiegelen. De personele quotisatie van 1743 vermeldt dat Verzijl als een van de zes pijpenmakersbazen een dienstbode had (noot 29). Hij werd derhalve aangeslagen voor een bedrag van vijftien gulden en was daarmee meer vermogend dan alle pottenbakkers, die altijd al een veel hogere levensstandaard hadden dan de pijpenmakers. Alleen de firma Jan Danens overtrof Verzijl hetgeen blijkt uit hun aanslag van veertig gulden.

De kapitaalkrachtige positie van Frans Verzijl lezen we ook uit zijn beleggingen. Zo kende hij de pijpenmakersbosse in het jaar 1748 een lening toe van maar liefst drieduizend gulden (noot 30). Deze bosse verleende behoeftige pijpenmakers of hun weduwen in tijden van nood een uitkering en Verzijl was gedurende een aantal jaren directeur van deze bosse. Als geldschieter in de sociale structuur van de Goudse bedrijfstak veroverde Verzijl tevens in bestuurlijk opzicht sympathie en aanzien.

De betrokkenheid van Frans Verzijl bij het reilen en zeilen van het pijpenmakersgilde blijkt ook uit zijn jarenlange functie als gecommitteerde of gekwalificeerde over dit gilde en tevens als directeur van de pijpenmakersbosse. Tijdens zijn periode van bestuursbemoeienis kwamen verschillende nieuwe reglementen en verordeningen tot stand. Inzonderheid voor de kwesties rond het bakken van pijpen en de grootte en zwaarte van de pijpenpotten zette hij zich in (noot 31). Dat het daarbij niet altijd strekte tot louter algemeen belang, wordt verklaard uit het feit dat Verzijl zelf eigenaar werd van een pijpenbakkerij en de regelingen voor hem vaak extra gunstig uitvielen.

Het bezit van een pottenbakkerij was een groot voorrecht dat slechts enkele pijpenmakers ten deel viel. De kapsels ofwel potten waarin de pijpen werden gebakken, behoefden niet vanuit het bedrijf naar een elders gevestigde pottenbakker te worden gedragen, maar konden in eigen werkplaats in de oven gaan. Verminderd transportrisico en stipte aflevering van het bakwerk waren zo gegarandeerd, hetgeen in schril contrast stond met de positie van veel onbeduidende pijpenmakers die soms lang op hun beurt moesten wachten. De vele geschillen die er tussen pijpenmakers en pottenbakkers rezen, golden niet voor Verzijl en bijvoorbeeld Danens, die over een eigen oven beschikten.

Een aantal meer invloedrijke pijpenmakers sloot zich tezamen om in compagnie een pijpenbakkerij te beheren en een tegenwicht tegen de machtige pottenbakkers te vormen. Dat in dergelijke ondernemingen ook de belangrijkste bazen weer deelgenoot waren, verbaast ons niet. Zo vond in januari 1783 de verkoop plaats van tien-dertiende deel van de zogeheten "Maatschappije der Pijpenbakkers", een groep pijpenmakers die aan de zuidzijde van de Nieuwe Haven een pottenbakkersoven exploiteerden (noot 32). Deelgenoot in deze maatschappij werden nu Frans Verzijl, Coenraad Blom en Cornelis van Leeuwen, zodat ook in deze onderneming de giganten weer een stem kregen. De koopsom bedroeg het niet onaanzienlijke bedrag van zeshonderd gulden. Tot aan zijn dood bleef Frans Verzijl aandeel houden in deze onderneming, om deze vervolgens over te laten gaan op zijn zoon Cornelis.

Ook het verschepen van pijpen werd door Verzijl zelf geregeld. Om dit mogelijk te maken was hij lid geworden van het schippersgilde, die hem een extern lidmaatschap toestonden omdat zij er zelf financiële baat bij hadden. De reeds genoemde handel op Duitse havensteden, die al voor 1750 zijn aanvang had genomen, was voor Verzijl de belangrijkste reden van het schippersgilde lid te worden. De afschepingen werden in het kamerboek ingeschreven en voor het zelf laden moest aan het zogenaamde grootschippersgilde door de initiatiefnemer steeds een bedrag van vijf gulden worden betaald. Naast zijn eigen pijpen gaf Verzijl ook aan andere kooplieden de gelegenheid goederen voor de Duitse markt in te laden. Uiteraard lag ook hier weer een mogelijkheid tot verdienen.

Een ander compagnonschap van Verzijl betreft de handel in pijpaarde. Om de aanvoer van grondstoffen veilig te stellen nam Frans Verzijl ook deze activiteit deels in eigen hand. Onder de naam Swanenburg, Verzijl en Compagnie komen we hem tegen als kleihandelaar (noot 33). De opslagschuren van deze firma bevonden zich op de Turfsingel, nabij het Moordrechtse Verlaat. Van daar uit werd de klei naar de kleimolens in de stad gebracht, waarvan Verzijl er ook een in bedrijf had.

Dat Verzijl in alle opzichten meer ondernemer dan pijpenmakersbaas was, mag inmiddels duidelijk zijn. We moeten hem eerder zien als veelzijdig ondernemer en fabrikant, die naast de directie over zijn pijpenfabriek talloze nevenfuncties uitoefende. De eigenlijke productie van pijpen liet hij over aan zijn personeel, de meesterknechten en hun leerlingen en voor het afwerken aan vrouwen en meiden. Daarnaast werden veel orders bij andere bedrijven uitbesteed. De ondernemer kreeg zo zijn tijd vrij voor het management van zijn bedrijf, waardoor hij zich steeds meer op nevenactiviteiten kon richten. Zo treffen we Verzijl aan in een overeenkomst met een tabakshandelaar, waarbij hij onder voorwaarden geld investeert (noot 34), maar ook bijvoorbeeld in de handel in kaas (noot 35).

De invloed van Frans Verzijl in de Goudse pijpennijverheid kunnen we bijna niet overschatten. De pijpenmakers in de talloze kleine werkplaatsen waren zetbaas voor Verzijl en in de praktijk kwam het er op neer dat hij deze werkplaatsen geheel in zijn greep had. De reden voor dit belang lag in de structuur van het gildenreglement. Telkens als er nieuwe verordeningen werden afgekondigd, golden deze maatregelen niet voor de gevestigde huizen. De familiebedrijven kregen zo steeds meer privileges waarbij het uitbesteden van merken en het produceren en verkopen naast elkaar de twee belangrijkste waren. Deze twee privileges waarborgden snelle en ongelimiteerde leveringen van alle denkbare soorten pijpen, een service die jonge bedrijven niet konden bieden.

Het familiebedrijf Verzijl
Tijdens de opbouw van zijn imperium werd Frans Verzijl bijgestaan door zijn broers Chistiaan, Martinus en Bernardus, de laatsten ook wel Maarten en Barend genoemd. Christiaan gespecialiseerde zich in het vormmakersambacht en verzorgde het gereedschap voor zijn broer. Barend en Martinus voerden hun eigen pijpenmakerij waarbij de handel in pijpen ook hier prevaleerde. In latere jaren ondervond Frans Verzijl belangrijke steun van zijn enige zoon Cornelis, die zijn vader in diens voetsporen zou volgen. Hij was reeds op jonge leeftijd deelgenoot van het bedrijf geworden, dat vanaf 1770 bekend stond als Firma Frans Verzijl & Zoonen. Cornelis Verzijl werd op 10 januari 1770 als meesterpijpenmaker in het gilde ingetekend. Ook Cornelis was geen pijpenmaker in de traditionele zin van het woord en we moeten hem evenals zijn vader zien als fabrikant die zich bezig hield met alle activiteiten die winst op konden leveren.

Aanleiding voor het toetreden van Cornelis was de overname van het merk slang, waarvan de weduwe in 1769 stierf. Door Cornelis Verzijl tot gildenmeester te maken kon dit merk in het ouderlijk bedrijf aan de reeds gevoerde merken Leeuw in de Hollandse Tuin en L gekroond worden toegevoegd. Het merk slang was al vanaf 1730 een belangrijk exportmerk, afkomstig van Lucas de Jong, die zijdelings aan de Verzijls gelieerd was. Bij Verzijl gebruikte men het merk slang vooral voor kortere soorten pijpen met een afwijkend model, bestemd voor export. Als exportmerk genoot het merk slang meer aanzien dan het merk L gekroond. Cornelis Verzijl hield het merk slang op zijn naam totdat in 1774 en in 1786 sterfgevallen nieuwe eigendomsveranderingen noodzakelijk maakten.

In 1774 komt Jacob de Licht, substituut-eigenaar van de L gekroond te overlijden (noot 36). De tenaamstelling op het merk L gekroond gaat dan over op Barend Verzijl, de reeds gemelde broer van Frans. Tot 1756 had deze een eigen pijpenmakerij gehad, maar nadien trad deze weer in loondienst, waarschijnlijk bij zijn meer succesvolle broer Frans. Om de rechten op het merk L gekroond in eigen hand te houden, liet Barend zich in 1774 weer bij het gilde als baas aantekenen en stelde het door overlijden vrijgekomen merk L gekroond op zijn naam. Dit merk gaf hij vervolgens in bruikleen aan zijn broer en zo bleef het merkenbezit van de Firma Verzijl ongewijzigd.

Een nieuwe verandering van eigendom zien we in 1781 toen Barend Verzijl stierf waardoor het merk L gekroond op Cornelis Verwijl moest worden overgetekend. Die overeenkomst werd tevens bij notariële beschikking vastgelegd. Cornelis kon inmiddels twee merken bezitten, want in 1778 was het gildenreglement met deze beschikking verruimd. Zijn vader voerde nog altijd de Leeuw in de Hollandse Tuin.

Wanneer Frans Verzijl in 1786 als hoogbejaarde sterft, na een arbeidzaam leven van ruim zestig jaar, vinden nieuwe wijzigingen in de tenaamstellingen van de merken plaats. Zoon Cornelis verruilde toen het minder belangrijke merk slang voor de Leeuw in de Hollandse Tuin en stelde het merk slang op naam van Willem Thoen, een weinig bekende pijpenmaker, die vermoedelijk zetbaas in de Verzijl dynastie was en de exportorders ging begeleiden. Cornelis zette het voorvaderlijk bedrijf voort onder delfde naam Firma Verzijl & Zoonen, waar nodig bijgestaan door zijn zuster Maria. Cornelis Verzijl bleef tot zijn dood in 1806 leiding geven.

In het laatste kwart van de achttiende eeuw ging het in de Goudse pijpennijverheid sneller bergafwaarts dan in het derde kwart van die eeuw. Naast de exportbeperkende maatregelen die door verschillende landen werden ingevoerd, nam het tabaksgebruik in het algemeen af. De gewoonte van het snuiven van tot poeder gemalen tabak in de betere kringen, gevolgd door de opkomst van het roken van sigaren zorgde voor een afnemende vraag naar pijpen. Daarnaast leidde een algemene economische teruggang tot stijging van prijzen, terwijl de bestedingen van de rokers niet toenamen. De kleipijp, die verhoudingsgewijs duur werd, zeker wanneer het de beste kwaliteit betrof, werd minder consumptief gebruikt. Voor de Goudse nijverheid was juist de productie van deze langgesteelde zogenaamde porceleijne pijpen winstgevend.

Door toedoen van Cornelis Verzijl weet de Firma Verzijl & Zoonen ondanks de malaise zich als een van de grootste bedrijven in Gouda te handhaven. Zelfs het huis Danens, ooit superieur aan Verzijl en een felle concurrent, vervalt tot armoede. Gevolg van de malaise is dat er in de bedrijfstak vrijwel niets nieuws meer tot stand kwam. In het modellenbestand van de jaren 1770 en 1780 treffen we dezelfde producten aan, die ook al in de jaren 1750 werden gemaakt. Zelfs de versieringen op de pijpenkoppen worden niet aan de actualiteit aangepast en wanneer een persvorm versleten was, werd een oude decoratie nagegraveerd. Slechts één actualisering treffen we aan: bij een pijp gewijd aan de Vrede van Aken wordt het opschrift dat refereerde aan de Oostenrijkse keizerin vervangen voor het meer algemene "VREDE IN ONSE DAGEN". Hierdoor was het product van een gedateerde gelegenheidspijp een algemene herdenkingspijp geworden (afb 10).

De populariteit van de producten van Verzijl is zo groot dat zij subject van imitatie worden. Talloze Belgische en Franse pijpenmakerijen beijveren zich om de Goudse Verzijl-pijpen na te maken. Bij opgravingen nabij het voormalige Palais du Louvre in het hart van Parijs werden bijvoorbeeld talloze producten gevonden, die onmiskenbaar imitaties zijn van de pijpen van Verzijl en zelfs rond de steel de naamsverbastering "VERZIL A GOUDA" als opschrift dragen. Het renommee van het huis continueerde zelfs in de negentiende eeuw. Een fabrikantencatalogus uit 1868 vermeldde nog tussen de diverse modieuze Franse pijpen een pijpmodel genaamd "VERZIL A GOUDA", een evident bewijs hoe belangrijk het Huis Verzijl in Frankrijk is geweest (afb 14, noot 37).

De voornaamste achteruitgang in de Goudse pijpennijverheid wordt bewezen met de voortdurend afnemende cijfers van het aantal zelfstandige pijpenmakerijen. Dat ook de Firma Verzijl de malaise niet bespaard bleef, bewijst het volgende voorbeeld. Sinds 1783 was er in Gouda een zogenaamde Stadspijpenfabriek (noot 38). In deze instelling werden kinderen van tien tot veertien jaar te werk gesteld met een tweedelig doel. Primair garandeerde deze fabriek de opleiding van jongeren voor de pijpenmakerij, aangezien er een doorlopend tekort aan geschoolde pijpenmakers was. Daarnaast hoopte men dat, wanneer deze kinderen zich vooral zouden toeleggen op het maken van korte pijpen van de eenvoudigste kwaliteit, het tekort op de Goudse pijpenmarkt van deze goedkoopste soort zou verdwijnen.

Aanvankelijk bleek de oprichting van een Stadspijpenfabriek een groot succes. De pijpenhandel in Gouda bloeide licht op en de fabriek, die met overheidsgeld werd gesticht, maakte zelfs winst. In de praktijk viel de afzet echter tegen. Het merendeel van de pijpenproductie werd volgens mondelinge overeenkomst aan Cornelis Verzijl verkocht, als aanvulling op diens assortiment. Wanneer de winst op deze producten echter terugloopt, zowel door verminderde vraag als door toegenomen lokale concurrentie, verzocht Verzijl om een verlaging van prijs en om verbetering van kwaliteit. Toen de kwaliteit van de door kinderen geperste en afgewerkte pijpen niet verbeterde, stopte hij met de afname. Hij bleek dan reeds een voorraad van 12.000 gros in zijn pakhuizen te hebben liggen. De stadspijpenfabriek kon haar productie nergens anders kwijt en moest dus noodgedwongen in 1794 haar deuren sluiten.

Ook de Franse tijd deed het bedrijf van Cornelis Verzijl geen goed. Hoge belastingen op de tabak zorgen ervoor dat de gewoonte van het roken wederom afnam. De afzet verminderde opnieuw, terwijl de winsten door toegenomen concurrentie gemiddeld geringer werden. Cornelis Verzijl stierf op 21 juni 1806. Hij liet zijn ongehuwde zuster Maria alleen achter. Maria Verzijl verzocht vervolgens bij het stadsbestuur om als gildenzuster te worden ingeschreven (noot 39). Hoewel onder invloed van de Franse hervormingen de gilden overal waren opgeheven, bleven de reglementen van het pijpenmakersgilde in Gouda nog onverminderd van kracht. Het Goudse stadsbestuurder zag het belang van het huis Verzijl in, vooral omdat talloze kleinere werkplaatsen voor deze firma produceerden. Hoewel Maria Verzijl geen weduwe van een pijpenmaker was, maar slechts zuster en dochter kreeg zij toch toestemming zich in het gilde in te kopen waardoor zij de activiteit van haar familiebedrijf kon voortzetten. Als inkomgeld betaalde Maria Verzijl veertien gulden, de prijs van de zoon van een gildenmeester. Zij continueerde handel en productie op de beide fabrieksmerken: Leeuw in de Hollandse Tuin en L gekroond.

Over het reilen en zeilen van de Firma Frans Verzijl & Zoonen in die periode resten ons weinig gegevens. Maria hield in stand wat haar grootouders hadden geïnitieerd, haar vader had uitgebouwd en haar broer zorgvuldig had geconserveerd. Ondanks de moeilijke tijd - tussen 1801 en 1811 zakte het aantal zelfstandige bazen terug van 169 naar 143 (noot 40) - schenen productie en handel bij de Firma Verzijl redelijk constant te blijven. Maria liet de zaken over aan haar meesterknecht, die in 1810 nog 25 personen te werk stelde (noot 41). Daaronder bevonden zich dertien vrouwen, een relatief hoog aantal dat verband hield met de hoge kwaliteit van de pijpen, die meer afwerkhandelingen behoefden. In haar bedrijf werkten overigens ook nog enkele familieleden. De afzet vond deels door handelaren in de periferie van haar familie plaats. In haar ruime huis, verzorgd door twee dienstboden, heeft zij haar dagen rustig kunnen slijten, niet gehinderd door de algemene malaise in de Goudse pijpennijverheid.

Hoewel ook gedurende het leven van Maria Verzijl zich talloze frauduleuze praktijken rond het zetten van de merken voordeden, trad zij daarbij zelf niet op de voorgrond (noot 42). Het gildenbestuur, dat bij het herstellen van het Koninkrijk na de Franse overheersing weer werd geïnstalleerd, bleef zich op velerlei fronten actief tegen merkimitaties verzetten. Zij deden dit op basis van het reglement dat in 1815 voor de pijpenfabrieken en pijpenhandel was ingesteld en zelfs landelijke goedkeuring had gekregen (noot 43). Het bestuur plaatste zelfs advertenties in kranten waarin zij waarschuwden tegen het bedrog bij de verkoop van Goudse pijpen (noot 44). Dit stuk lichtte toe hoe fabrieken elders de Goudse pijpen namaakten door ze van het Goudse wapen te voorzien, waarbij men zich niet schroomde om zelfs de mandjes af te dekken met merkpapieren waarop niet alleen het nagemaakte merk, maar ook onterecht als plaats van herkomst Gouda werd aangegeven.

In 1818 resulteerde de strijd van de commissarissen over het gewezen pijpengilde in gedeeltelijke merkbescherming, omdat toen van staatswege werd bepaald dat op de merkpapieren naast het fabrieksmerk ook het wapen van de plaats van herkomst gedrukt moesten worden (noot 45). Dit bijmerk diende rechts naast het pijpenmakersmerk te worden afgebeeld. Overigens ging al dit geharrewar volledig aan Maria voorbij. Haar handelshuis had voldoende financiële reserves opgebouwd zodat zij kon rentenieren, terwijl de voortgaande verkoop van pijpen en de uitverkoop van de immense voorraden meer dan voldoende inkomsten genereerden.

In 1820 stierf Maria Verzijl als laatste telg van de Verzijl-dynastie. In haar testament had zij twee erfgenamen benoemd: een neef en nicht van haar, respectievelijk in Nijmegen en Rotterdam wonende. Voordat deze iets zouden ontvangen moesten eerst tal van legaten worden verstrekt. Zo ontvingen de beide dienstbodes ieder de lieve som van duizend gulden, terwijl de knecht met zeshonderd gulden werd bedeeld. Wat er in die tijd nog aan bedrijf restte, vinden we uitgebreid beschreven in de stukken van de boedelscheiding, die heel minutieus zijn vastgelegd omdat de beide erfgenamen het niet eens konden worden. De ruzie die volgde liquideerde het handelshuis volledig terwijl ook de pijpenmakerij compleet werd opgeheven.

Als eerste stap in dit proces bracht men de voorraden pijpen ter veiling. Van de immense hoeveelheid werd zelfs een speciale veilingcatalogus gedrukt (noot 46). Op 13 maart 1820 kwam de pakhuisvoorraad in hotel "De Zalm" op de Markt in Gouda onder de hamer. Maarliefst 88 lots bevatten een kleine miljoen pijpen in het totaal. Kopers waren pijpenmakers, pottenbakkers, kooplieden en winkeliers. Tezamen werd ruim 3.200 gulden voor de partijen geboden. Opvallend waren de grote voorraden zogenaamde bovenmaats pijpen met een steellengte boven de standaardlengte van 21 duim. De partijen stonden in de catalogus uitgebreid beschreven, lopend van de gewone maatpijp, via de 25, 29 en 33 duimers tot de langste soorten van 37 duim lengte ofwel bijna een meter lang. Juist deze exclusieve waar zorgde voor de hoge opbrengst van iets meer dan twee cent per pijp. Interessant zijn de verschillende benamingen in de catalogus, waarvan Hannoverse, Engelse en Schotse refereren aan een streekgebonden decoratie of aan het model dat in het oord van bestemming veelgevraagd was. Helaas werden de merken van de pijpen niet bij de beschrijvingen vermeld.

Enkele dagen later kwamen de gereedschappen ter veiling. De verkooplijst vermeldde 38 persvormen, waarvan het merendeel uit kromkopvormen bestond, terwijl daarnaast veel lange vormen voorkwamen. Opmerkelijk is dat geen alledaagse pijpvormen werden aangeboden, zodat we hieruit konden concluderen dat men zich in het bedrijf op twee soorten pijpen richtte: de verdienstelijke langgesteelde producten en daarnaast een ruime variatie modellen voor de export. Kennelijk werd het gewone goed bij de andere pijpenmakers betrokken, die door scherpe onderlinge concurrentie de prijs zo voordelig mogelijk hielden.

Aardig is dat op dezelfde veiling ook de merken van Verzijl werden verkocht. Het merk Leeuw in de Hollandse Tuin brengt / 28,80 op terwijl voor het merk L gekroond een bedrag van / 4,- werd betaald. Koper van beide merken was Pieter Stomman (1751-1839), een van de vooraanstaande maar zeer traditionele pijpenmakers in die periode. Binnen zijn familie krijgt deze Verzijl-erfenis een nieuw leven.

Pieter Stomman als intermediair
Dankzij de veiling was Pieter Stomman eigenaar geworden van de beide merken uit het Huis Verzijl. Stomman was een man van de oude stempel en had in 1820 al een lange en vooral succesvolle loopbaan als pijpenmaker achter de rug. Ook hij stamde uit een pijpenmakersgeslacht en legde reeds in 1770 zijn meesterproef af. Vanaf de Franse tijd noemde hij zich heel deftig fabriqueur in pijpen. In zijn bedrijf werkte hij op de merken 96 gekroond en 54 gekroond, twee cijfermerken die in goed aanzien stonden. Evenals bij Verzijl betrof het hier merken voor twee kwaliteiten: de 96 voor de beste waar en de 54 voor de mindere. Het was echter duidelijk dat Stomman vanwege de nog heersende reglementen op de pijpenfabrieken de merken van Maria Verzijl niet zelf kon houden. Zijn aankopen waren er op gericht zijn naaste familie te bevoordelen.

Het merk Leeuw in de Hollandse Tuin stelde Pieter Stomman daarom op 1 augustus 1821 beschikbaar aan zijn kleinzoon Franciscus Cornelis Kruisheer, zoon van zijn dochter Johanna. Kruijsheer deed in diezelfde maand zijn meesterproef op dit merk. Aardig is hierbij te vermelden dat het afleggen van een proeve van bekwaamheid ook na de officiële opheffing van het pijpenmakersgilde in 1798 in gebruik bleef. Tijdens de Bataafse Republiek werd hierop door het stadsbestuur controle uitgeoefend, maar bij de instelling van de nieuwe beroepsvereniging in 1815 regelde het bestuur van het gewezen gilde dit weer zelf. De functionarissen die hierop toezagen noemden zich overeenkomstig de tijd nu commissarissen over de pijpenhandel en de pijpenfabrieken, hun taak was inhoudelijk echter gelijk gebleven.

Het merk L gekroond was enkele maanden eerder al, en wel in maart 1821, door Pieter Stomman op naam van zijn dochter Geertruijda Stomman overgeschreven (noot 47). Opmerkelijk is dat de overdrachtsakte in het merkencontractboek opgemaakt werd door Stomman zelf, samen met zijn schoonzoon Pieter van der Want Gerritsz., met wie hij eerder al een compagnonschap had gesloten. Geertruij Stomman was al langer lid van het pijpenmakersgilde en wel sinds augustus 1814 (noot 48). Als merkteken liet zij toen de 16 gekroond noteren, een belangrijk merk voor korte exportpijpen. Dit cijfermerk was afkomstig van de administratie van het Pijpenpand, die het beheer van de vroegere stadspijpenfabriek verzorgde (noot 49). Met haar lidmaatschap beoogde zij haar vader of andere familieleden te bevoordelen.

In het dagelijks leven had Geertruij niets met het pijpenmakersvak van doen. Zij was louter administratief lid van het gilde om haar vader, die bij haar in woonde, de mogelijkheid te geven met een extra merk meer omzet te realiseren. Zelf bestierde zij een winkel in kaarsen (noot 50). Aangezien zij toch gildenzuster was, kon dus ook het merk L gekroond op haar naam worden bijgeschreven. Voor deze overdracht moest zij het bedrag van 24 gulden betalen en daarboven nog 1 gulden 10 cent voor de bode (noot 51). Ook was zij voor het gebruik van een tweede merk dubbel gildengeld verschuldigd. De vrij aanzienlijke onkosten voor dit administratieve lidmaatschap vormen het bewijs van de handelswaarde van het merk L gekroond in die periode.

Pieter Stomman en diens familie kregen met de aankoop van de merken uit de boedel van Maria Verzijl dus bredere afzetkansen. Naast zijn eigen merken, de cijfermerken 54 gekroond en 96 gekroond, en de 16 gekroond van zijn dochter, beschikte hij nu over de mogelijkheid met zijn schoonzoon op de L gekroond te werken of bij zijn kleinzoon pijpen met het merkteken Leeuw in de Hollandse Tuin te laten maken. Dankzij de mogelijkheden van het administratieve lidmaatschap konden de orders van Verzijl dus behouden blijven. Daarnaast boden de voordelen van het compagnonschap met de eerder gemelde Pieter van der Want Gerritsz. de mogelijkheid de productie in verschillende werkhuizen te laten plaatsvinden.

Voor de verkoop van de pijpen met het merk L gekroond bleef tijdens het leven van Geertruij Stomman het oorspronkelijke drukblok van Verzijl in gebruik (afb 15). Hierin was alleen het opschrift geactualiseerd. Door de gigantische oplagen die er sinds 1735 van de drukplaat waren gemaakt was de voorstelling van de koperplaat langzamerhand behoorlijk dichtgelopen, doch door het verminderde aanzien van de kleipijp in die periode kon de drukplaat nog altijd in gebruik blijven. Ook de merkstempeltjes van het huis Verzijl werden in de werkplaats van Stomman verder gebruikt (afb. 16).

Wanneer Geertruij Stomman in 1832 sterft, is zij nog altijd winkelierster met in haar huis een kaarsenmakerij, maar niets met betrekking tot de pijpenmakerij. Dit gegeven bewijst dat zij louter administratief gildenlid was en zich inderdaad niet actief met het pijpenmakersambacht bezig hield (noot 52). Haar merken L gekroond en 16 gekroond, die zij al die jarenlang ten behoeve van haar familie had aangehouden, komen terug in de boedelrekening van een jaar later (noot 53). Pieter Stomman krijgt het merk 16 gekroond toebedeeld. Samen met Pieter van der Want Gzn. wordt hij erfgenaam van het merk L gekroond. Aangezien beide erfgenamen al twee merken in bezit hadden, moesten deze verkregen merker op een andere naam worden overgeschreven. Zo ontstond een nieuw compagnonschap. Stomman sloot deze met zijn kleinzoon, de zoon van Pieter van der Want Gerritsz., die Pieter Gerrit van der Want heette. Deze had al in 1831 zijn proef gedaan op het merk harp (noot 54), terwijl hij in 1832 het merk W gekroond kocht (noot 55). Dat laatste merk werd bij die gelegenheid op een broer van hem overgetekend.

Uit deze periode van samenwerking is een opmerkelijke pijp bewaard gebleven, die zich in het British Museum in Londen bevindt (noot 56). De ketel heeft het kromkop model en draagt op de hiel het merk L gekroond. Op de voorzijde van de pijpenkop is een gekroonde harp te zien. De achterzijde van de kop toont het wapen van Gouda met een L gekroond in parelcirkel eronder. Op de steel lezen we overlangs in reliëf "P. STOMMAN & P.G. VAN DER WANT" en "PIPE MANUFACTURERS IN GOUDA". Het Engelstalige opschrift wijst op het voortgaande belang van het merk L gekroond voor export naar het Verenigde Koninkrijk en Ierland. De harp refereerde niet alleen aan het fabrieksmerk van kleinzoon Pieter van der Want Gerritszoon, het was tevens voor Ierland een toepasselijk motief.

Bij de dynastie van Stomman en Van der Want is in deze periode steeds sprake van een correcte registratie van de merken. Dat lag vooral in de aard van Pieter Stomman, die uiteindelijk een man van de oude stempel was, formeel en plichtsgetrouw. Hij was tientallen jaren gildenbestuurder geweest en uitte zich openlijk als een groot voorstander van het oude gildenreglement dat mede door zijn toedoen in 1815 in ere werd hersteld. Wanneer leden van de familie hun merken in een ander bedrijf wilden zetten, waren zij volgens het reglement verplicht daarvan registratie te doen en dat gebeurde ook. Zodoende komen eindeloze ruilingen tussen de verschillende familieleden in de archieven voor, terwijl wij dat bij andere families niet zien.

Het merk bij de familie Van der Want
Pieter van der Want Gerritsz. legde op 10 april 1797 zijn meesterproef voor het Goudse pijpenmakersgilde af en verkoos de AVS tot zijn merk. In hetzelfde jaar huwde hij Maria Brammert, waardoor hij zich introuwde in een fortuinlijke pijpenmakersfamilie met een lange traditie. Een paar jaar later, in 1801 stierf zijn schoonvader en werd hij eigenaar van het beroemde merk WS gekroond (noot 57). Het bezit van dit belangrijke merkteken, dat op een roemrijke geschiedenis van vele generaties kon bogen, vergrootte zijn kansen op economisch succes. Hij nam het geërfde merk aan in ruil voor de AVS, waarmee hij zijn broer Arie van der Want bedeelde (noot 58).

Het voorouderlijke bedrijf van zijn echtgenote Maria Brammert was gevestigd in een drietal panden in de Kuiperstraat, waarvan Pieter en zijn vrouw door erfenis eigenaar werden. Dit bedrijf stond bekend als de fabriek van de WS, een oud bedrijf waar de klei sinds de stichting rond 1650 niet droog had gestaan (noot 59). Het succesvolle merk WS gekroond was in deze panden in de familielijn doorgegeven van vader op zoon of kleinzoon. De grondlegging had al in de jaren 1650 plaatsgevonden door ene Willem Stevensz., de naamgever van het WS-merk. Pieter van der Want Gzn. continueerde de werkplaats met het merk WS gekroond.

In 1811 overleed zijn eigen vader, Gerrit van der Want Pzn. en kreeg Pieter van der Want het merk 90 gekroond uit de boedel toegewezen, dat hij als tweede merk liet registreren (noot 60). Voor Pieter bracht het jaar 1811 overigens weinig geluk, want behalve dat zijn vader stierf, overleed ook zijn nog jonge vrouw (noot 61). Een jaar later hertrouwde hij, weer met een dochter uit de pijpenmakerskringen. Zijn nieuwe echtgenote was Sara Stomman, een van de zes dochters van de eerdergenoemde Pieter Stomman. Door dit huwelijk lag de weg naar een vruchtbaar compagnonschap met zijn schoonvader open.

Over dit compagnonschap met Pieter Stomman, dat al in de vorige paragraaf werd gemeld, restten ons nauwelijks schriftelijke bronnen. Het gildenbestuur had zich altijd al tegen het versmelten van verschillende bedrijven onderling verzet. Door samenwerking zou men op meerdere winkels dezelfde merken zetten, zodat de gildenknaap op zijn controleronde het overzicht op het gebruik van de merken verloor. Fraude door het onrechtmatig zogenaamde dubbelzetten van merken werd hierdoor in de hand gewerkt. Het verzet van het gildenbestuur was terecht. De politiek van het merkenbezit en het wederzijdse ruilen en verkopen tussen compagnons en derden maakte het eigendomsrecht bijzonder ondoorzichtig. Ook Pieter Stomman en Pieter van der Want Gerritsz. hanteerden een gecompliceerde handelwijze rond hun merkenbezit, die samenhing met vraag en aanbod van pijpen van bepaalde merken en hun wederzijdse specialisaties in bepaalde soorten.

Hoe nauw de betrekkingen tussen beide bedrijven waren, blijkt uit het volgende. Pieter Stomman woonde op het Groenendaal bij de eerder gemelde Geertruij en een tweede dochter in. Zijn bedrijf was op de Turfmarkt gevestigd. Reeds in december 1782 had hij hier het pand "De Vergulde Hekel" gekocht, terwijl hij een jaar later het aangrenzende pand verwierf. In augustus 1828 deed hij het eerst gemelde pand over aan zijn schoonzoon, zodat op die plaats de beide bedrijven in elkaar overliepen. In het ene pand zette Stommen de merken 54 gekroond en 96 gekroond, in het aangrenzende pand, beheerd door vader en schoonzoon tezamen, bezigde men de merken L gekroond en 16 gekroond. Deze laatste twee merktekens stonden in die periode op naam van Geertruij Stomman, de dochter van Pieter Stomman geregistreerd.

Naast de relaties met zijn schoonvader Pieter Stomman onderhield Pieter van der Want ook nauwe banden met zijn drie zonen, die eveneens in het pijpenmakersvak terecht kwamen. Zoon Pieter Gerrit werd al in de vorige paragraaf vermeld. Tweede zoon, Johannes Marinus legde in 1832 zijn proef af. In mei 1837 kocht hij van zijn broer Pieter Gerrit het merk W gekroond. Dit tweede merk ruilde hij een jaar later, op 1 mei 1838, met zijn grootvader Pieter Stomman. Zijn grootvader was toen reeds hoogbejaard en gaf hem er zijn belangrijke merk 96 gekroond voor terug. Hoewel het contractboek van wederzijdse verkoop spreekt, was hier waarschijnlijk eerder sprake van een familieprijsje, dat men om begrijpelijke redenen niet als zodanig wilde laten noteren.

De derde zoon van Pieter, Gerrit Cornelis van der Want genaamd, volbracht zijn proef in 1841. Reeds in 1839 had hij al het merk 90 gekroond van zijn vader op naam gekregen, doch hij bereikte pas twee jaar later de leeftijd van 20 jaar, gerechtigd om een proef af te leggen. De vroegtijdige overboeking was noodzakelijk aangezien zijn opa, Pieter Stomman in 1839 overleed. Stomman's beide merken, de W gekroond en 54 gekroond werden door de erven geaccepteerd maar moesten nog wel op naam worden gesteld. Dat had een ingewikkelde reeks van ruilingen tot gevolg. De 54 gekroond ging terug naar de kleinzoon Pieter Gerrit, die dit merk al in 1832 in bezit had gehad. Op zijn beurt gaf deze het merk L gekroond door aan zijn vader, die hiervoor het merk 90 weer doorgaf aan zoon Gerrit Cornelis. Kleinzoon Johannes Marinus verkreeg het merkteken 54 gekroond.

Na het overlijden van Pieter Stomman kwam het merk L gekroond dus bij Pieter van der Want Gzn. terug, die het naast de WS gekroond in zijn fabriek aan de Kuiperstraat zou gaan gebruiken. Op deze plaats kreeg de L gekroond dezelfde betekenis die het in de achttiende eeuw bij de Firma Verzijl had gehad. De WS gekroond is het hoofdmerk en werd voor de best afgewerkte pijpen gebruikt, terwijl het merk L gekroond voor de tweede kwaliteit diende. Het belang van het merkteken L gekroond had sinds het laatste kwart van de achttiende eeuw echter sterk ingeboet. Van een gevestigd merk met grote exportwaarde bestemd voor overwegend lange pijpen was het afgezakt naar een handelsteken bestemd voor eenvoudige tot goedkope exportproducten met een kortere steel. De productie van de Ierse kromkoppen nam na 1800 steeds verder af en maakte geen wezenlijk deel van de handelswaarde van het merk meer uit. Daarentegen was het merk L gekroond wel belangrijk geworden als schaduwmerk voor de WS gekroond. Zo bleef het merk voor de Goudse ovale modellen van de gewone kwaliteit wel zijn aanzien behouden. Pijpen met het merk L gekroond waren het alternatief voor klanten voor wie pijpen van de WS-kwaliteit te duur waren.

Het bedrijf van Pieter van der Want werd geleidelijk door de jongste zoon Gerrit Cornelis van der Want overgenomen. Pieter van der Want Gzn. stierf in 1858 en Gerrit Cornelis werkte tijdelijk met zijn broer Johannes Marinus samen. Uiteindelijk werd hij alleen eigenaar en uit eerbetoon aan zijn vader gaf Gerrit Cornelis het bedrijf de naam Firma P. van der Want Gzn.

Hoewel het belang van de gemerkte kleipijp steeds geringer werd, bleven de Goudse makersmerken tussen 1840 en 1860 nog wel subject van imitatie. Zo voerde Pieter van der Want Gzn. in 1843 strijd tegen Cornelis Carlier in Gouda. Deze was eigenaar van het merk laars en plaatste dit merkteken spiegelbeeldig op zijn pijpen waardoor het op het merk L gekroond leek. Door de commissarissen over het gewezen gilde werd Van der Want echter in het gelijk gesteld en moest Carlier zijn merkafbeelding wijzigen (noot 62).

De merknavolging wordt echter vooral bewezen door Goudse fabrikanten die in kleine plaatsen merken aanvragen om daarmee het recht te krijgen deze merken, voorzien van het stadswapen van een andere plaats, op hun pijpen te mogen zetten. Een voorbeeld daarvan is de aanvraag uit 1847 van ene Joost Sparnaay (noot 63). Bij de gemeente Aarlanderveen diende deze een verzoek in om een zestal pijpenmerken te mogen gebruiken. Onder deze merken komen we ook de WS gekroond en L gekroond tegen. Aangezien in die tijd via de gouverneur van Zuid-Holland het Goudse gemeentebestuur over de toekenning van de merken werd gehoord, ging deze aanvraag van merken niet door. In eerdere gevallen werkte de bureaucratie niet zo goed en werd wel toestemming gegeven tot het bezigen van Goudse merken door makers elders, waardoor Goudse ondernemers aanzienlijk werden benadeeld.

Voor de Goudse pijpenfabrikanten voltrok zich in 1855 een belangrijke verandering. In dat jaar werd het verplichte verenigingsverband met de oude gildenwetten opgeheven. Tijdens een rechtszitting over merkenfraude ontbond de kantonrechter van Gouda het reglement uit 1815 dat de pijpenfabrikanten bundelde (noot 64). Traditionele pijpenmakers gehecht aan hun verenigingsverband besloten onmiddellijk tot een alternatief verbond. Een nieuwe vereniging van pijpenfabrikanten werd opgericht, waarvan het reglement door 41 bazen werd ondertekend. Dit geschrift vertoonde echter weinig verschil met dat van 1815, zoals al eerder opgemerkt gebaseerd op het gildenreglement met haar achttiende eeuwse aanvullingen. Echter een belangrijke verandering werd opzettelijk doorgevoerd: het aantal door de fabrikanten te gebruiken merken werd niet tot twee beperkt, maar stelde men reglementair niet vast.

Het nieuwe verenigingsreglement zorgde er dus voor dat het fenomeen administratieve leden niet langer noodzakelijk was. De merken konden voortaan zonder belemmering op naam van de eigenaar worden ingeschreven, ongeacht hun aantal. Het gevolg van deze reglementsverandering zien we ook in het bedrijf van Van der Want. Naast de WS gekroond en de L gekroond van vader Pieter bezigde Gerrit Cornelis van der Want de merken 90 en 16 gekroond. In 1858 sloot broer Johannes Marinus zich aan als compagnon en bracht de merken 54 gekroond en 96 gekroond in. De merken van broer Pieter Gerrit van der Want, de harp en W gekroond volgden weer wat later. Uit een zijtak van de familie kwamen in 1862 nog de merktekens lelie en speelman. Opvallend is dat de het bedrijf geen merken van andere pijpenmakers kocht. Wellicht zag men voornamelijk iets in het behoud van merken die al onder de naam van Van der Want werden gebezigd.

Voor de grotere, meer kapitaalkrachtige bedrijven lag met het nieuwe reglement dus de weg naar een uitgebreid merkenbestand open. Door merken over te nemen van bazen die hun loopbaan beëindigden, kon het orderbestand worden uitgebreid. Spoedig prijkten rissen fabrieksmerken op de uithangborden en het reclamemateriaal van de grotere bedrijven. De firma P. van der Want Gzn. deed aan deze politiek echter niet mee. Nadat de acht merktekens bij één bedrijf waren samengekomen, werden geen nieuwe merken meer toegevoegd.

De reden voor de firma P. Van der Want Gzn. om niet verder te gaan in de uitbreiding van de merken is duidelijk. Het pijpenmakersmerk verloor na 1860 zijn belang en de consument kocht steeds vaker pijpen van een aantrekkelijk model dan met een bekend merk. Bovendien prevaleerde de naam van de fabrikant al gauw boven het traditionele merkteken. In de nieuwere tijd vroeg de jongere roker om een kortgesteelde pijp met een moderne vormgeving al dan niet voorzien van een passende decoratie. De ouderwetse lange Goudse pijp op de hiel voorzien van het fabrieksmerk moest het steeds vaker afleggen tegen de korte modieuze rokertjes.

In die periode wordt het merk L gekroond overwegend op zogenaamde halfmaats pijpen gezet, producten met een kortere steel en vaak wat eenvoudiger afgewerkt. Een kenmerkend model voor die steellengte is de tonnekop, een kleine ovale ketel met een sterke bollling (afb 17). Een noueauté voor die tijd is een pijp met een vormomgezette ketel: de ovaalvorm is schuins doorgesneden en het afgesneden deel is andersom op de basis geplakt (afb 18). Zo werd een geheel nieuw silhouet gekregen met als voordeel dat de roker tijdens het roken in de pijpenkop kon kijken.

Dat het renomme van het merk L gekroond internationaal nog niet volledig verdwenen is, blijkt uit de productie van pijpenkoppen met een zogenaamd Dublin model ketel (afb 19). Hier is de ketel overeenkomstig het tijdvak ruim van formaat en dikwandig, al is deze duidelijk afgeleid van de kromkopvorm uit de achttiende eeuw. Traditiegedtrouw worden deze pijpen in Engeland, Schotland en Ierland op de voorzijde van de ketel nog met het Goudse merk L gekroond gestempeld. Zij zijn het bewijs van de traditionele merkgebonden sfeer in de pijennijverheid van een ooit buitengewoon belangrijk merkteken.

De strijd rond het eigendomsrecht en de landelijke imitatie van het pijpenmakersmerk eindigde in 1881. In dat jaar ontstond een nationale wet op het fabrieksmerk (noot 65). De Goudse fabrikant A.J. van Velzen was de eerste die zijn merken wettig deponeerde en zijn bezit daarmee strafrechterlijk beschermde. Kort daarop volgden de andere pijpenfabrikanten. In de inschrijving van het Staatsblad liet G.C. van der Want alle acht merken, te weten WS gekroond, W gekroond, speelman, lelie, L gekroond, 96 gekroond, 54 gekroond en 90 publiceren. Van deze reeks merken had alleen het merk WS gekroond nog werkelijke handelswaarde. Pijpen van dat merk voorzien waren vooral in Nederland, België en Noord-Frankrijk bijzonder populair. De L gekroond werd nog wel als hielmerk gezet net zoals de andere merken doch bleef voorbehouden aan bepaalde soorten pijpen die een slag minder fraai waren afgewerkt en ook een lagere verkoopprijs hadden. Het elletje had haar handelsbelang grotendeels verloren.

Het meest recente product is een traditionele pijp met ovale ketel en rechte steel, op de hiel van het merkteken L gekroond voorzien (afb 20). Deze kleipijp heeft in Makkum een beschildering gekregen in Delftsblauw palet. Aan de steelzijde van de ketel is in een staande ovaal een vlotgeschilderd landschapje aangebracht, de keerzijde van de ketel toont een gemarmerd motief. Op de steel zijn bladvormige streepjes te zien. Het aanbrengen van tinglazuur was voor de Goudse fabrikant niet altijd even gunstig, aangezien het glazuur het merk nagenoeg onleesbaar maakte.

G.C. van der Want stierf in 1898 en de firma P. van der Want Gzn. kwam toen onder leiding van zijn zoon Gerrit van der Want G.Czn. Deze werkte slechts enkele jaren want reeds in 1906 stierf ook deze zonder kinderen na te laten. Hij werd op zijn beurt opgevolgd door zijn neef Ivon van der Want, die al in 1898 als vijftienjarige in het bedrijf van zijn grootvader was gekomen (noot 66). Ivon hield de fabriek tot na de Tweede Wereldoorlog gaande. De pijpenfabricage verdween daarbij steeds meer naar de achtergrond, terwijl de plateelnijverheid zich aan het begin van de afgelopen eeuw ook in deze fabriek ontwikkelde. Van het merk L gekroond restte niets meer dan een afbeelding op de kaft van de modellencatalogus die de firma P. van der Want Gzn. enige jaren voor de Eerste Wereldoorlog uitgaf (afb 21). Sinds de samensmelting van het bedrijf tussen 1855 en 1865 had slechts één uitbreiding van het merkenbestand plaatsgevonden: de merken lam onder de boom en leeuw in de Hollandse tuin werden in 1898 via de firma Jan Prince & Cie toegevoegd. Met de aankoop van deze merken ging ook een deel van het productiemateriaal van het Huis Prince op het Huis Van der Want over.

Een kenmerkend detail over de waarde van de fabrieksmerken uit die periode is het volgende. Toen kort na 1900 de termijn van de landelijke registratie van de merken afliep, besloten de nog overgebleven fabrikanten niet tot verlenging vanwege de aanzienlijke kosten die daarvoor moesten worden betaald (noot 67). Het was beduidend goedkoper on hun merk opnieuw aan te geven. Weliswaar riskeerden de fabrikanten daarmee de geringe kans dat iemand van elders de deponering zou overnemen, doch alleen de Goudse collega's waren hiermee bekend. Zij konden naar hun vakgenoten onmogelijk zo onfatsoenlijk zijn.

Bij de firma P. van der Want Gzn. stopte de traditionele pijpenfabricage aan het eind van de jaren 1920. Het merk L gekroond zal ergens in die periode in onbruik zijn geraakt, maar zoals al opgemerkt het handelsbelang was toen reeds lang verdwenen. In de inventaris van de fabriek stonden nog wel enkele volledig ongebruikte merkhoutjes (afb 22), daterend uit de tijd van optimisme en terugkerende orders. Een halve eeuw later kregen zij een museale bestemming.

Samenvatting en nawoord
Uit het bovenstaande verhaal blijkt dat we in de levensloop van het merk L gekroond een aantal fasen kunnen onderscheiden. Als zoveel handelsmerken is dit pijpenmerk na inschrijving enige jaren zonder succes gebruikt. De eerste inschrijving is zelfs zo onbelangrijk geweest, dat hiervan geen optekening bewaard is gebleven. Vervolgens is het merk meer dan veertig jaar vacant geweest en vond er pas in 1726 een nieuwe aangifte plaats. Deze pijpenmaker weet echter geen standvastig bedrijf op te bouwen en krijgt nauwelijks klandizie. Na vier jaar doet hij het merk van de hand en gaat weer in loondienst werken. Hij is daarmee het voorbeeld van de talloze gelukzoekers die een eigen bedrijf opzetten, doch dit niet weten te continueren.

De volgende eigenaar, Cornelis de Licht genaamd, heeft een heel ander uitgangspunt. Hij wil zich als koopman vestigen en zoekt een merk met de mogelijkheid van uitbesteding. Aangezien het merk L gekroond reeds voor het vernieuwde gildenreglement van 1686 bestond, rustte er op dit merk het privilege van productie door buitenbazen. Dat maakte het merk L gekroond geschikt voor leveringen bij grote en extreem grote aantallen. De nieuwe eigenaar heeft het klaargespeeld om zeer substantiële orders te verkrijgen. Het is overigens onduidelijk of dit is gebeurd doordat een koopman van elders de vraag heeft gecreëerd of dat dit onder het patronaat van een reeds gevestigde pijpenfabrikant is geschied, in dit geval zou dat Frans Verzijl zijn geweest. De persoonlijke relaties tussen Verzijl en De Licht wijzen op het laatste.

De pijpenkoopman bekleedt in de Goudse pijpennijverheid een specifieke positie. Hij richt zich niet primair op de productie van pijpen maar houdt zich hoofdzakelijk bezig met het bekendmaken van het merk en het binnenhalen van grote orders. Vaak geschiedt zijn promotie niet zozeer vanuit het renommee van het merk, als wel vanuit de vraag die in de nationale of internationale handel bestaat. Voorwaarde hiervoor is een absolute accuratesse om snel grote orders uit te kunnen voeren en juist voor dat gegeven is merkuitbesteding noodzakelijk. Het denken vanuit een grossiersmentaliteit prevaleert hier dus boven een kwaliteitsstreven. De uitbesteding van orders aan verschillende zogenaamde buitenbazen garandeert snelle levering en geeft als bijkomend voordeel vaak een scherpe productprijs. Kleine pijpenmakersbazen die om werk verlegen zitten, schrijven zich namelijk tegen lage prijzen in om werk en dus inkomsten te behouden. Het mag duidelijk zijn dat in die situatie de kleine zelfstandige pijpenmaker in grote mate afhankelijk wordt van de koopman.

Het bedrijf van de koopman-fabrikant is nog veelzijdiger: hij produceert zelf in zijn eigen pijpenmakerij maar vervult tevens de rol van koopman met het recht van merkuitbesteding. Wanneer orders niet voordelig in eigen bedrijf kunnen worden gemaakt, vindt uitbesteding plaats. In de praktijk komt het er op neer dat de beste soorten pijpen in de eigen werkplaats worden gemaakt, terwijl de onderkwaliteiten onder patronaat van buitenbazen tot stand komen. In hun eigen bedrijf vinden we de hoogst gekwalificeerde werklieden. Frans Verzijl was zowel koopman als fabrikant, de positie van De Licht als koopman is wat onduidelijk. Hij kan de rol van koopman hebben vervuld, maar kan ook stroman voor Verzijl zijn geweest.

Bij de exploitatie van het merk dient de koopman-fabrikant zich steeds te richten naar de bepalingen van het gildenreglement. Tot 1778 mogen gildenbroeders slechts één merk bezitten. Wel is het toegestaan een meesterknecht op een merk te laten werken, mits deze overeenkomst reeds voor het jaar 1751 is gesloten. Dit is bij Frans Verzijl het geval geweest. Wanneer in 1751 de eigendomsrechten van de merken beter worden geregeld, kan Verzijl het administratief eigendom van het merk L gekroond als tweede merk op zijn eigen naam overzetten. Verzijl doet dat in 1753.

Pas vanaf 1778, wanneer een kentering in de pijpennijverheid doorzet, genieten de gildenbroeders grotere vrijheid en zijn zij gepermitteerd in hetzelfde bedrijf twee merken te zetten. Hierdoor kan men twee kwaliteiten pijpen afzonderlijk markten. Het merk L gekroond blijft ook in die periode gebonden aan de tweede kwaliteit pijpen. Voor de beste soort gebruikt men het merk leeuw in de Hollandse tuin.

In de periode 1740 tot 1780 is het merkteken sterk aan een bepaalde soort pijpen gebonden. Het merk L gekroond wordt gebruikt voor het totale assortiment van Verzijl, maar de kwaliteit van het product ligt een klasse lager dan bij de pijpen gemerkt met het hoofdmerk leeuw in de Hollandse tuin. Naast vormsoorten voor de Nederlandse markt, zijn talloze exportmodellen in productie. Vooral van het ondermerk L gekroond is op de stort van het bedrijf een uiteenlopende reeks pijpen teruggevonden.

Na 1780 loopt de afzet van pijpen sterk terug, terwijl gelijktijdig een zichtbaar verval in de kwaliteit van het product optreedt. Onder druk van de teruglopende economie vermindert de afwerking van de kleipijp al blijft het algemene kwaliteitsverschil tussen de twee merken zichtbaar.

In de dynastie van de familie Verzijl zien we een historisch patroon, waarbij het succes van het bedrijf bijna gekoppeld lijkt te zijn aan de algemene situatie in de Goudse pijpennijverheid. Frans Verzijl vestigt het bedrijf reeds in 1724 en tot 1760 blijkt zijn zaak buitengewoon te renderen. Hij bezit vier panden naast elkaar en kan vrijwel ongelimiteerd leveren, mede dankzij de talloze buitenbazen die voor hem werken. Wanneer de welstand in de Goudse pijpennijverheid na 1755 terugloopt, zien we dat de orderportefeuille krimpt waardoor de financiële positie bij Verzijl vermindert. Zijn zoon Cornelis zet het vaderlijke bedrijf vanaf 1786 voort, maar door de sterk verminderde economische toestand kan hij niet zo succesvol zijn. Uiteindelijk wordt zijn jongere zuster Maria Verzijl eigenaresse, zij beheert het bedrijf van 1806 tot 1820. Hoewel de werkplaats nog aanzienlijk van omvang is, blijkt continuering eerder mogelijk dankzij het oude renommee dan vanwege nieuwe afzet. De klandizie dunt geleidelijk uit en wanneer Maria Verzijl sterft betekent dat het einde van een dynastie. Een geschil over de erfenis leidt tot totale liquidatie van het bedrijf.

Uit de geschiedenis van het Goudse pijpenmerk blijkt duidelijk dat merken met privileges in de kring van de eigen familie worden geëxploiteerd, hetgeen het gildenreglement door bepalingen van ruil, verhuur of overerving mogelijk maakt. Is er geen opvolging dan volgt overdracht door verkoop zodat het vermogensrecht van het merk behouden blijft en in een andere familie wordt voortgezet. Dat is bij het sterven van Maria Verzijl het geval.

Een dergelijke wijziging wordt meestal gemarkeerd door een onderhandse verkoop of openbare veiling. De aankoop van de beide merken uit het Huis Verzijl door Pieter Stomman zal voor deze traditiegebonden fabrikant een grote triomf zijn geweest. De merken van het oudtijds zo belangrijke handelshuis komen nu onder zijn hoede. Stomman wordt daardoor de intermediair tussen het geslacht Verzijl en zijn eigen nazaten.

De handelswaarde van het merk L gekroond verandert drastisch wanneer de lange pijp uit de gratie raakt en dat gebeurt in de eerste helft van de negentiende eeuw. Gelukkig vragen veel exportgebieden in dat dezelfde periode meer naar kortere pijpen en signaleren we de belangstelling voor de L gekroond op een korter gesteeld product. In die overgangsfase wordt het merk L gekroond gezet bij incidentele orders: nu weer lange dan weer korte pijpen, afwisselend beter en minder van kwaliteit. De productie op het merk continueert daarmee, alleen de belangstelling van de consument verandert.

Voor de fabrikant geeft een grotere kwaliteitsvariatie echter problemen. Zijn personeel is supergespecialiseerd en aangenomen voor korte of lange soorten, voor fijne of grovere kwaliteiten en bij de meeste bedrijven richt men zich op één of enkele soorten die in elkaars verlengde liggen. Om nu bij veranderde vraag toch te kunnen leveren, wordt niet van personeel veranderd, maar wordt het merkteken met een familielid geruild of in familiekringen een associatie aangegaan waardoor het merk op een andere plaats kan worden gezet. Door deze veelal administratieve actie kunnen de pijpen worden gemaakt op de plaats waar het personeel het meest geschikt is. De eindeloze ruilingen van merken binnen de familie Stomman en Van der Want die we tussen 1820 en 1850 zien, moeten we in dit licht zien. Uiteraard hield de oude Stomman als pater familias én gildenbestuurslid daarop toezicht. In andere families nam men de administratieve romslomp niet zo nauw. De ruilingen vinden dus in feite hun oorzaak in de starheid van het gildenreglement, dat bepaalt dat het merk op naam van de desbetreffende fabrikant staat en in diens bedrijf moet worden gezet.

Vanaf 1858 staat het merk L gekroond op naam van G.C. van der Want, die met zijn broer J.M. van der Want is geassocieerd. Tot meerdere eer en glorie van hun vader dopen zij hun fabrieksnaam om tot Firma P. van der Want Gzn. Dankzij een nieuw verenigingsverband voor de pijpenmakers in Gouda dat in 1855 tot stand komt, maakt een reglementsverandering het mogelijk om het merk L gekroond samen met de andere merken uit de familie samen te brengen in hetzelfde fabrieksbedrijf èn onder hetzelfde dak.

In de jaren 1860 breekt de laatste fase van het merk L gekroond aan. Het belang van de pijpenmakersmerken in het algemeen is dan sterk verminderd. Het model van de pijp gaat de marktpositie bepalen. Traditiegetrouw handhaaft de pijpenmaker het pijpenmerk op zijn minder modieuze producten, doch dat productsegment neemt geleidelijk verder af. Het merk L gekroond wordt opnieuw een handelsteken voor de b-kwaliteit van de traditionele producten zoals zij in de achttiende eeuw is geweest. Wie niet de hoofdprijs wil betalen voor het beste merk - nu de WS gekroond - moet zich met een mindere kwaliteit tevreden stellen, voorzien van een lager aangeschreven merkteken. De fabrikant voert dus een bewuste prijspolitiek om zijn beste merk alleen aan zijn best betalende klanten te gunnen, maar biedt een redelijk alternatief om ook met andere gegadigden zaken te kunnen doen. De tweede kwaliteit pijpen biedt zeker geen geringer rookcomfort, doch is alleen minder goed afgewerkt. Opnieuw gaat het om een bewuste merkenpolitiek van de fabrikant om het merk met een geringer maatschappelijk aanzien een lagere prijsstelling te geven.

Economisch gezien is het tweede merk altijd van minder belang. Op het b-merk wordt door minder bekwaam personeel geproduceerd en de prijsstelling ligt lager zodat een kleinere winstmarge wordt verkregen. Aangezien het merk WS gekroond een groot aanzien genoot, beleefde dit tot in de twintigste eeuw voldoende vraag. Hierdoor is het dus niet verwonderlijk dat het merk L gekroond als tweede merk nooit tot volle wasdom heeft kunnen komen. Het gebruik van een ondermerk diende uiteindelijk primair als waarborg voor de kwaliteit van het hoofdmerk.

Voor het merk L gekroond is de rol rond 1900 uitgespeeld. De kwaliteit van de pijp is nog verder gezakt, zodat er voor een ondermerk nauwelijks nog bestaansrecht is. Voor enkele Goudse hoofdmerken loopt het belang nog tot 1940 of zelfs langer door; de ondermerken zijn na de Eerste Wereldoorlog in de vergetelheid geraakt. De op de hiel gemerkte kleipijp raakt na 1920 uit de gratie, het is een ouderwets artikel geworden voor een vergrijzende kring rokers. De moderne houten pijp en het alternatief doorroker hebben de traditionele kleipijp tot een verarmingsartikel gemaakt.

Een historie als deze over een pijpenmakersmerk zou over talloze merken geschreven kunnen worden. Opmerkelijk aan het merk L gekroond is wel dat het alle verschillende vormen van handel en wandel heeft gekend en bovendien doorlopend in de geschiedenis is te volgen. Het merk kende tijden van armoede en rijkdom, episoden van felle begeerte en naijver om tenslotte als alle merken te vervallen tot een onbeduidend teken, waaraan we nog amper de oorspronkelijke glorie kunnen aflezen.

L gekroond (noot 68)

1726 - 1925
Cornelis Luijnenburg 1726
-
1730
Cornelis de Licht 1730
-
1745
Jacob de Licht 1745
-
1753
Frans Verzijl, in eigendom maar op naam van Jacob de Licht 1753
-
1774
Barend Verzijl 1774
-
1781
Frans Verzijl en Cornelis Verzijl, in huur van Barend Verzijl 1774
-
1781
Cornelis Verzijl, in eigendom van de erven Barend Verzijl 1781 - 1806
Maria Verzijl, Firma Frans Verzijl & Zoonen 1806 - 1819
Erven Firma Frans Verzijl & Zoonen 1819 - 1821
Geertruij Stomman 1821 - 1832
Pieter Stomman, in leen van Geertruij Stomman 1821 - 1832
Pieter van der Want Gzn. 1832 - 1858
Gerrit Cornelis en Johannes Marinus van der Want Pzn.,
Firma Gebroeders Van der Want 1858 - 1874
Gerrit Cornelis van der Want Pzn., Firma P. van der Want Gzn. 1874 - 1898
Firma P. van der Want Gzn. 1898 - 1925

© Don Duco, Stichting Pijpenkabinet, Amsterdam, 2004.

Afbeeldingen

1. Oudste afbeelding van het merk L gekroond op het draagbord van de gildenknaap. Olieverf op hout, Gouda, 1695-1715.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.424

2. Inschrijving in het Proefboek van de Goudse pijpenmakers van Cornelis Lunenburg in 1726.
Gouda, Streekarchief Hollands Midden, SAHM, PA 64, fol 6, 19-03-1726.

3. Merkvignet van Cornelis de Licht, het merk opgesierd met een heraldische omlijsting. 1735-1745.
Uit: D.H. Duco, Merken en merkenrecht van de pijpenmakers in Gouda, Amsterdam, 2003, p 88, vignet 2.

4. Merkvignet van Frans Verzijl voordat het privilege van het Goudse wapenschild als bijmerk werd verkregen. Kopergravure door Dillis van Oye in opdracht van Frans Verzijl, Gouda, 1735-1740.
Uit: Duco, (Merken), 2003, p 99, vignet 88.

5. Merkplaat met toevoeging van het Goudse wapenschild en bosjes pijpen. Gouda, 1740-1745.
Uit: Duco, (Merken), 2003, p 99, vignet 89.

6. Merkplaat met merk leeuw in de Hollandse tuin gehouden door staande leeuwen, de opschriften zijn ten behoeve van de export in het Duits aangebracht. Gouda, 1745-1750.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 8092

7. Standaard ketel van de Goudse pijp (basismodel 3) met ovale vorm, op de hiel het makersmerk en aan de zijkant van de hiel het bijmerk. Gouda, 1740-1760.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 2203d

8. Kromkop met basismodel 4, hielmerk L gekroond, hiel weerszijden bijmerk wapenschild van Gouda met letter S en rechts vormmerk stip. Gouda, 1740-1760.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 10.418

9. Kromkop voor export met twee fabrieksmerken: L gekroond op de hiel en WM gekroond op de steelzijde van de ketel, Gouda, 1757-1770.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk b.135

10. Vierzijdige pijpenkop gewijd aan de Vrede van Aken (links) en dezelfde voorstelling geactualiseerd met het opschrift "Vrede in onse dagen" (rechts). Gouda, Frans Verzijl en firma Frans Verzijl & Zoonen, 1748-1760 en 1760-1780.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 10.423d

11. Ovale pijpenkop met reliëfvoorstelling van het wapen van de koning van Zweden, Gouda, Frans Verzijl, 1750-1760 en 1760-1785.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 7372ab

12. Pijpenkop met kromkopmodel met aan de steelzijde van de ketel het wapen van het Engelse koningshuis. Gouda, 1745-1750.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.300

13. Kromkop met aan weerszijden een staande heilige Anthonius van Padua, Gouda, Frans Verzijl, 1750-1770.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 3693b

14. Afbeelding van een pijp met opschrift Verzijl uit de catalogus van de firma J. Gambier te Givet, Frankrijk, 1868.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 10.077

15. Drukblok van Geertruy Stomman met het merk L gekroond, het opschrift rond het merk is vervangen voor haar naam.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 9714

16. Twee merkhoutjes op het hielmerk op de pijp te drukken. Gouda, firma P. Van der Want Gzn.,1850-1880.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 0.8116bc

17. Pijpenkop met een sterke bolling, een zogenaamde tonnekop. Gouda, firma P. van der Want Gzn., 1860-1890.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 2203ef

18. Pijpenkop met een vormomgezette pijpenkop, hielmerk L gekroond. Gouda, 1870-1890.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 2744

19. Twee pijpenkoppen met de zogenaamde Irish shape met aan de steelzijde het merk L gekroond, Engeland of Ierland, 1860-1890.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 13.925ab

20. Tabakspijp met hielmerk L gekroond, beschilderd in Makkum met een decoratie van blauw op wit. Gouda/Makkum, 1880-1910.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.612

21. Kaft van de catalogus van de firma P. Van der Want Gzn. uit de Kuipersteeg in Gouda met naast de fabriekspanden ook de merken. Gouda, firma P. Van der Want Gzn., 1905-1915.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 16.382a

22. Nagenoeg ongebruikt merkhoutje waarop het merk L gekroond is aangebracht. Gouda, firma P. Van der Want Gzn., 1870-1890.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 8116a

Noten

1. D.A. Goedewaagen & G.C. Helbers, Goudsche pijpen, De merken en het merkenrecht van de pijpmakers te Gouda, De geschiedenis van de pijpmakerij te Gouda, Amsterdam, 1942. D.H. Duco, Merken van Goudse pijpenmakers 1660-1940, Lochem, 1982. D.H. Duco, Merken en merkenrecht van de pijpenmakers in Gouda, Amsterdam, 2003.
2. De eerste opzet van dit artikel verscheen onder de titel: 'The Crowned L: The History of a famous Gouda Pipemaker's Mark', Clay Pipe Research, Bristol, 1988, p 67-86.
3. SAHM (StreekArchiefdienst Hollands Midden), PA (Pijpmakersgilde Archief) 64, Proefboek 1724-1769, fol 6, 19-03-1726.
4. SAHM, PA 64, fol 9, 30-12-1726. Adriaan Lunenburg. Idem fol 10, 31-03-1727 Jacob Lunenburg. Idem fol 26, 24-04-1730 Jacob Lunenburg. Duco, 2003, p 218. Adriaan 1726 kievit, Jacob 1727 WL gekroond, Jacob 1730 60 gekroond.
5. Tussen 1660 en 1700 worden 17 merken met een enkele letter aangenomen, in de achttiende eeuw komen er 7 bij, in de negentiende eeuw gevolgd door 2 stuks (bron: Duco, 2003).
6. D.H. Duco, Biografische gegevens van pijpenmakers in Gouda, Amsterdam, 1976 e.v., Cornelis Lunenburg, begraven 26-02-1771.
7. SAHM, PA 64, p 27.
8. SAHM, ONA (Oud Notarieel Archief) 719, fol 101, akte 37, notaris F. Luijt, 27-09-1742.
9. SAHM, ONA 757, fol 25, akte 17, notaris F. Luijt, 10-02-1749.
10. Duco, 2003, p 27.
11. Helbers & Goedewaagen, 1942, p 82, afb 35.
12. D.H. Duco, 'Merkomlijstingen van Goudse pijpmakers', Pijpelijntjes, IX-2, 1983, p 5, nr 3. Duco, 2003, p 88, nr 2.
13. Duco, 2003, p 34-36.
14. SAHM, PA 13, Merkencontractboek (Minuten van overeenkomsten van huur en koop van merken) 1753-1787, akte 13, 03-04-1753.
15. D.H. Duco, Bronnen tot de geschiedenis van de pijpennijverheid in Gouda, Amsterdam, 1976 e.v., 04-11-1755. SAHM, ONA 731, fol 135, akte 55, notaris P. de la Coste, 12-10-1757. Idem, ONA 732, fol 33, akte 15, notaris P. de la Coste, 06-03-1758.
16. 'Genealogie der familie Verzijl', Gens Nostra, 1946. D.J. Knoops, 'De Goudse patriot Martinus Verzijl Jansz. en zijn nakomelingen te Rotterdam', Ons Voorgeslacht, XIII, nr. 70, mei/juni 1958 & XIII, nr. 71, juli-aug. 1958.
17. Londen, BM (British Museum), Gildenboek 1660-1724, fol 88, 24-01-1724. Ook: SAHM, PA 64, fol 21, 23-05-1729.
18. BM, Gildenboek, fol 74, 1710 en 01-07-1719.
19. Duco, (Bronnen Gouda). De afvaarten van deze schepen staan steeds vermeld in het kamerboek en hebben als bestemming Hamburg, soms Altona en een enkele keer Bremen (o.m. 28-08-1752, 02-04-1753, 26-05-1753, 20-04-1754, 12-05-1754, 12-06-1754).
20. Duco, 2003, p 31-33.
21. SAHM, RA (Rechterlijk Archief) 375, fol 41, Eigenboek, 28-05-1732.
22. Duco, 2003, p 98 en p 99, afb 88.
23. Zie noot 20.
24. Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 10.418.
25. Joe Norton, The Crowned 'L' stamp, Dublin, 1986.
26. Lasse Wallin, Kritpipor som dateringshjälpmedel i historisk arkeologi, Zweden, typescript, 1981/1982.
27. SAHM, PA 13, akte 40, 01-03-1757.
28. D.H. Duco, De tabakspijp als Oranjepropaganda, Leiden, 1992, hfst. 6: De vrede van Aken als intermezzo, p 41-44.
29. Duco, (Bronnen Gouda), 07-11-1743.
30. Duco, (Bronnen Gouda), 1753 (er resteert dan nog / 2300,-.).
31. Duco, (Bronnen Gouda), 23-04-1760.
32. Duco, (Bronnen Gouda), 16-01-1783.
33. Duco, (Bronnen Gouda), 28-09-1750.
34. Duco, (Bronnen Gouda), 11-12-1738, 06-12-1740.
35. SAHM, ONA 854, fol 352, akte 105, notaris W. van der Wagt, 13-09-1780.
36. SAHM, Gaarder begraven, 14-05-1774.
37. D.H. Duco, Vve Hasslauer Successeur de Gambier, fabrikantencatalogus uit 1868 voorzien van historische inleiding en verklarend naamregister, Leiden, 1987, p 68, model 885 Néogène Bretonne VERZIL GOUDA. Model 883 idem, groter formaat.
38. Don Duco, 'De stadspijpenfabiek te Gouda', Pijpelijntjes, V-4, 1979, p 1-8.
39. SAHM, PA 33, Proefboek 1751-1854, 07-07-1806.
40. Duco, 1978, p 158.
41. SAHM, PA 63, Lijst van pijpenmakersbazen en hun personeel, c. 1810.
42. Duco, 2003, p 45-47 en p 49-50.
43. Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 5315. Duco, 2003, p 48-49.
44. GA Rotterdam, Rotterdamsche Courant, nr. 125, p 4, 18-10-1817. Duco, 2003 p 50.
45. Duco, 2003, p 50-51.
46. SAHM, ONA 1240, akte 22, notaris P.J. ten Brummeler, 13-03-1820. Notitie van eene aanzienlijke party Pijpen, zoo in kisten, vaten, manden als bennen, staande in de pakhuizen op de West-Gouwe V No. 44 en op de Raam, 13-03-1820.
47. SAHM, PA 37, Merkencontractboek (Minuten van overeenkomsten van huur en koop van merken) 1788-1854, fol 123, 05-03-1821.
48. SAHM, PA 33, fol. 92, 27-08-1814.
49. SAHM, PA 34, Merkenboek 1803-1851, fol 69, 27-08-1814.
50. De combinatie pijpenmakerij en kaarsenmakerij zien we in Engeland wel vaker, in Nederland is hierin geen relatie (George Berry, Seventeenth Century Tokens of Pipe-Makers, Tobacconists and other Dealers in Tobacco and Pipes, BAR, Oxford, 1982, p 355-376).
51. SAHM, PA 37, fol 94.
52. SAHM, ONA 1248/148, notaris G.J. ten Brumeler, 24-09-1832.
53. SAHM, ONA 1249/49, notaris G.J. ten Brummeler, ongedateerd (april 1833).
54. SAHM, PA 33, fol 104, 03-10-1831.
55. SAHM, PA 37, 06-02-1832.
56. Londen, British Museum, Bragge Collection, nr. 994.
57. H.A.J. Tempelman, Historie van het pijpenmakersgeslacht Van der Want, Gouda, typescript, c. 1960, p 48.
58. SAHM, PA 37, fol 54, 04-08-1801.
59. Anoniem, Een jubileum in een oude Goudsche fabriek, Gouda, 1948, p 1-2.
60. SAHM, PA 37, fol 104, 08-04-1811.
61. Tempelman, z.jr., p 50. 62. Tempelman, z.jr., p 54. Duco, 2003, p 54.
63. Duco, 2003, p 56. 64. Duco, p 61-63.
65. Duco, 2003, p 71-72.
66. Tempelman, z.jr., p 75.
67. Duco, 2003, p 75.
68. Duco, 2003, p 152-3.

1. Oudste afbeelding van het merk L gekroond op het draagbord van de gildenknaap. Olieverf op hout, Gouda, 1695-1715. Amsterdam, Pijpenkabinet, Pk 17.424.
2. Inschrijving in het Proefboek van de Goudse pijpenmakers van Cornelis Lunenburg in 1726. Gouda, Streekarchief Hollands Midden, SAHM, PA 64, fol 6, 19-03-1726.
3. Merkvignet van Cornelis de Licht, het merk opgesierd met een heraldische omlijsting. 1735-1745. Uit: Duco, 2003, p 88, vignet 2
4. Merkvignet van Frans Verzijl voordat het privilege van het Goudse wapenschild als bijmerk werd verkregen. Kopergravure door Dillis van Oye in opdracht van Frans Verzijl, Gouda, 1735-1740. Uit: Duco, 2003, p 99, vignet 88
5. Merkplaat met toevoeging van het Goudse wapenschild en bosjes pijpen. Gouda, 1740-1745. Uit: Duco, 2003, p 99, vignet 89
6. Merkplaat met merk leeuw in de Hollandse tuin gehouden door staande leeuwen, de opschriften zijn ten behoeve van de export in het Duits aangebracht. Gouda, 1745-1750. Amsterdam, Pk 8092
7. Standaard ketel van de Goudse pijp (basismodel 3) met ovale vorm, op de hiel het makersmerk en aan de zijkant van de hiel het bijmerk.. Gouda, 1740-1760, Amsterdam, Pk 2203d.
8. Kromkop met basismodel 4, hielmerk L gekroond, hiel weerszijden bijmerk wapenschild van Gouda met letter S en rechts vormmerk stip. Gouda, 1740-1760. Amsterdam, Pk 10.418.
9. Kromkop voor export met twee fabrieksmerken: L gekroond op de hiel en WM gekroond op de steelzijde van de ketel, Gouda, 1757-1770. Amsterdam, Pk b.135.
9. Kromkop voor export met twee fabrieksmerken: L gekroond op de hiel en WM gekroond op de steelzijde van de ketel, Gouda, 1757-1770. Amsterdam, Pk b.135.
10. Vierzijdige pijpenkop gewijd aan de Vrede van Aken (links) en dezelfde voorstelling geactualiseerd met het opschrift "Vrede in onse dagen" (rechts). Gouda, Frans Verzijl en firma Frans Verzijl & Zoonen, 1748-1760 en 1760-1780. Amsterdam, Pk 10.423d
10. Vierzijdige pijpenkop gewijd aan de Vrede van Aken (links) en dezelfde voorstelling geactualiseerd met het opschrift "Vrede in onse dagen" (rechts). Gouda, Frans Verzijl en firma Frans Verzijl & Zoonen, 1748-1760 en 1760-1780. Amsterdam, Pk 10.423d
10. Vierzijdige pijpenkop gewijd aan de Vrede van Aken (links) en dezelfde voorstelling geactualiseerd met het opschrift "Vrede in onse dagen" (rechts). Gouda, Frans Verzijl en firma Frans Verzijl & Zoonen, 1748-1760 en 1760-1780. Amsterdam, Pk 10.423d
10. Vierzijdige pijpenkop gewijd aan de Vrede van Aken (links) en dezelfde voorstelling geactualiseerd met het opschrift "Vrede in onse dagen" (rechts). Gouda, Frans Verzijl en firma Frans Verzijl & Zoonen, 1748-1760 en 1760-1780. Amsterdam, Pk 10.423d
11. Ovale pijpenkop met reliëfvoorstelling van het wapen van de koning van Zweden, Gouda, Frans Verzijl, 1750-1760 en 1760-1785. Amsterdam, Pk 7372ab.
11. Ovale pijpenkop met reliëfvoorstelling van het wapen van de koning van Zweden, Gouda, Frans Verzijl, 1750-1760 en 1760-1785. Amsterdam, Pk 7372ab.
11. Ovale pijpenkop met reliëfvoorstelling van het wapen van de koning van Zweden, Gouda, Frans Verzijl, 1750-1760 en 1760-1785. Amsterdam, Pk 7372ab.
11. Ovale pijpenkop met reliëfvoorstelling van het wapen van de koning van Zweden, Gouda, Frans Verzijl, 1750-1760 en 1760-1785. Amsterdam, Pk 7372ab.
12. Pijpenkop met kromkopmodel met aan de steelzijde van de ketel het wapen van het Engelse koningshuis. Gouda, 1745-1750. Amsterdam, Pk 17.300.
12. Pijpenkop met kromkopmodel met aan de steelzijde van de ketel het wapen van het Engelse koningshuis. Gouda, 1745-1750. Amsterdam, Pk 17.300.
12. Pijpenkop met kromkopmodel met aan de steelzijde van de ketel het wapen van het Engelse koningshuis. Gouda, 1745-1750. Amsterdam, Pk 17.300.
12. Pijpenkop met kromkopmodel met aan de steelzijde van de ketel het wapen van het Engelse koningshuis. Gouda, 1745-1750. Amsterdam, Pk 17.300.
13. Kromkop met aan weerszijden een staande heilige Anthonius van Padua, Gouda, Frans Verzijl, 1750-1770. Amsterdam, Pk 3693b.
13. Kromkop met aan weerszijden een staande heilige Anthonius van Padua, Gouda, Frans Verzijl, 1750-1770. Amsterdam, Pk 3693b.
13. Kromkop met aan weerszijden een staande heilige Anthonius van Padua, Gouda, Frans Verzijl, 1750-1770. Amsterdam, Pk 3693b.
13. Kromkop met aan weerszijden een staande heilige Anthonius van Padua, Gouda, Frans Verzijl, 1750-1770. Amsterdam, Pk 3693b.
14. Afbeelding van een pijp met opschrift Verzijl uit de catalogus van de firma J. Gambier te Givet, Frankrijk, 1868. Amsterdam, Pk 10.077.
14. Afbeelding van een pijp met opschrift Verzijl uit de catalogus van de firma J. Gambier te Givet, Frankrijk, 1868. Amsterdam, Pk 10.077.
14. Afbeelding van een pijp met opschrift Verzijl uit de catalogus van de firma J. Gambier te Givet, Frankrijk, 1868. Amsterdam, Pk 10.077.
15. Drukblok van Geertruy Stomman met het merk L gekroond, het opschrift rond het merk is vervangen voor haar naam. Amsterdam, Pk 9714.
16. Twee merkhoutjes op het hielmerk op de pijp te drukken. Gouda, firma P. Van der Want Gzn.,1850-1880. Amsterdam, Pk 0.8116bc
17. Pijpenkop met een sterke bolling, een zogenaamde tonnekop. Gouda, firma P. van der Want Gzn., 1860-1890. Amsterdam, Pk 2203ef.
18. Pijpenkop met een vormomgezette pijpenkop, hielmerk L gekroond. Gouda, 1870-1890. Amsterdam, Pk 2744
19. Twee pijpenkoppen met de zogenaamde Irish shape met aan de steelzijde het merk L gekroond, Engeland of Ierland, 1860-1890. Amsterdam, Pk 13.925ab.
19. Twee pijpenkoppen met de zogenaamde Irish shape met aan de steelzijde het merk L gekroond, Engeland of Ierland, 1860-1890. Amsterdam, Pk 13.925ab.
20. Tabakspijp met hielmerk L gekroond, beschilderd in Makkum met een decoratie van blauw op wit. Gouda/Makkum, 1880-1910. Amsterdam, Pk 17.612
21. Kaft van de catalogus van de firma P. Van der Want Gzn. uit de Kuipersteeg in Gouda met naast de fabriekspanden ook de merken. Gouda, firma P. Van der Want Gzn., 1905-1915.Amsterdam, Pk 16.382a.
22. Nagenoeg ongebruikt merkhoutje waarop het merk L gekroond is aangebracht. Gouda, firma P. Van der Want Gzn., 1870-1890. Amsterdam, Pk 8116a.

< back
<< home

Amsterdam Pipe Museum - the worldwide culture of pipe smoking
©
copyright Amsterdam Pipe Museum - voorheen Pijpenkabinet, Amsterdam

klik hier voor
adres