artikel

De pijpen van de II-maker

Door Don Duco

In 1639 vond er aan de Raam in Gouda een kleine ramp plaats. Een pas geplaatste of veranderde pottenbakkersoven brandde volledig uit. Een te groot vuur en een zwakke plek in het metselwerk van de ovenwand waren er de oorzaak van dat de vlammen geweldig oplaaiden en de hele oven in een gigantische vuurzee veranderde. Niet alleen een grote schrik, maar ook een forse schade want het bleef niet bij een brand van de oven alleen, ook de belendende bebouwing liep brandschade op. Toen het vuur uitgeraasd was, bleek dat er van de oven weinig meer over was dan een versinterde stomp ceramisch materiaal. De inhoud was volledig aaneengekoekt en na het afkoelen werd het materiaal uit elkaar gepeld en als afval over het terrein verspreid. De complete oveninhoud was verloren gegaan en de oven zelf moest vanaf het fundament opnieuw worden opgemetseld.

In oktober 1984 werd aan de Nobelstraat in Gouda, direct achter de Raam, de laag teruggevonden waarin zich het afval bevond dat daar na de ramp van 1639 was gestort. Een zwart pakket van zo’n vijftien centimeter met as en kool waarin pijpfragmenten, potscherven en ovenbrokstukken. Het materiaal was verspreid over minstens twintig vierkante meter en daarna afgedekt met gewone grond. De vondst werd aangetroffen op zo’n zestig centimeter onder het straatniveau en kon daar indertijd worden gestort omdat de achterterreinen aan de Raam nog grotendeels braak lagen. Dankzij deze opgraving was het voor het eerst mogelijk kennis te maken met de misbrand van een pottenbakkersoven uit de vroegere periode van de Goudse pijpennijverheid. Een unieke kans dus om informatie te verzamelen over de productie aan pijpen- en pottenbakkersgoed op dat moment maar ook over het stoken van de oven. Het onderstaande artikel beschrijft de vondsten en geeft daarop voor zover mogelijk commentaar (noot 1).

De kleipijpen
In totaal zijn in de eerste fase van opgraven 321 pijpenkoppen en 248 mondstukken gevonden (afb. 1, noot 2). Kenmerk van de pijpen is dat het materiaal zonder uitzondering verkleurd was doordat de pijpenpotten waren opengebarsten en de vlammen vrij spel kregen. De mate van verkleuring van de pijpen verschilde nogal en duidelijk was dat de pijpen die dieper in de pijpenpot zaten beter beschermd waren en nog enigermate wit van kleur waren gebleven. De overige pijpen waren gelig tot oranje verkleurd, sommige steeleinden, die zich bovenin de potten bevonden, eindigden in roodachtige verkookte mondstukken (afb. 2). Daarenboven vertoonden talloze fragmenten aangekoekte roet (afb. 3). Naast oppervlakteverkleuring was er in veel gevallen sprake van versintering: de scherf was vaster versmolten en veel stelen waren krom getrokken. De versintering en de kromme stelen zullen de reden zijn geweest waarom de pijpen onmiddellijk zijn weggegooid. Te heet gestookte kleipijpen absorberen niet, zij geven warme, vochtige rook en zijn dus onaangenaam in het gebruik. Zelfs verkoop als tweedekeus was niet meer mogelijk.

Onder de gevonden pijpen onderscheiden we vier modellen, alle vier van het gangbare dubbelconische ketelmodel ofwel basismodel 1. De pijpen zijn onder te verdelen in twee grove kwaliteiten en twee typen van een fijnere soort. Interessant is het model van beide grove pijpen. De slanke, dubbelconische vorm is namelijk behoorlijk modern voor die periode en is volledig losgekomen van de oorspronkelijke sterk-biconische versie. Dit model komt aan het eind van de jaren 1630 op, al toont het hier nog niet de afgewogen vorm die het rond 1650 zal krijgen.

De meest simpele pijp is volledig onversierd en heeft een steellengte van ruim 23 centimeter (afb. 4). De ketel is zoals opgemerkt slank-dubbelconisch, de hiel is klein en steekt nauwelijks uit. De afwerking van dit product is simpel: na het persen zijn alleen de vormnaden gladgestreken en rond de filt is de pijpenkop gebotterd. Dergelijke eenvoudige, ongemerkte pijpen waren uit Goudse werkplaatsen nog niet bekend en passen ook nauwelijks in het beeld dat wij van de Goudse pijpennijverheid hebben, die altijd met kwaliteitsmateriaal wordt geassocieerd.

Het tweede pijpmodel behoort eveneens tot de grove kwaliteit, want ook deze pijp is ongepolijst en ongemerkt (afb. 5). Opnieuw is de steel 23 tot 24 centimeter lang, echter nu is deze rondom van een reliëfdecoratie voorzien. Tussen twee verdikte knopen met knorrendecoratie is aan weerszijden van de steel een slingerende bladerrank met bloemen aangebracht. Centraal hierin is eveneens aan weerszijden een liggend ovaal te zien waarin de letters II naast een vork of drietand. De afwerking van deze pijp is al even simpel: opnieuw is het product alleen gebotterd, een filtradering bleef achterwege en overeenkomstig de eenvoudige kwaliteit is de pijp niet geglaasd.

Opmerkelijk aan deze pijp is de slechte staat waarin de persvorm zich bevond toen deze oplage werd gemaakt. In de pijpennijverheid was het gebruikelijk om na het persen van enkele duizenden pijpen de vormnaden aan te scherpen. Dit gebeurde door de sluitpennen uit de persvorm te slaan en de vormhelften vervolgens op een grote slijpsteen te scherpen. Daarna gingen de pennen in de vorm terug en werd de productie hervat. De gescherpte vormhelften sneden de klei nu aan beide zijden weer goed in, zodat een minimum aan tremwerk nodig was. Zijn de vormnaden echter vaker aangescherpt, dan wordt de steel gaandeweg enigszins ovaal. Een goede vormmaker voorkomt dit door geregeld de steel en in mindere mate ook de kop een weinig uit te vijlen. Bij deze persvorm is dat niet gebeurd, waarschijnlijk vanwege de decoratie die dan eveneens bijgestoken moest worden. Vooral bij de stelen van de pijpen is die ovaalvorm lelijk om te zien.

Een tweede vormgebrek is zichtbaar aan de mondstukken van de pijpen en rond de hiel. De pengatverbindingen waarmee de persvorm sloot zijn door intensief gebruik uitgesleten. Hierdoor ontstond lichte wrik, zodat de helften ten opzichte van elkaar bewogen en richels in plaats van scherpe naden ontstonden. Soms werd dit mankement verholpen doordat de tremster de zware naden wegsneed, waardoor een dunnere kwetsbare steel ontstond. Andere keren is deze richel zichtbaar gebleven. Vooral bij de reliëfdecoratie vormt deze oneffenheid een dikke logge kleirug. Dit is begrijpelijk omdat juist op deze plaats het wegstrijken moeilijk is, want glad afgewerkte steelnaden zullen de reliëfdecoratie dan immers doorbreken.

Het derde minpunt van de reliëfpijp is de gesleten decoratie. De door het persen schurende klei zwakte de in de vorm uitgestoken decoratie af, die na enkele duizenden persingen bijgestoken diende te worden. Dit is niet gebeurd. Dit werk kon de pijpenmaker niet zelf doen maar moest tegen betaling bij een graveur gebeuren en hierop heeft men dus bezuinigd. Omdat de scherpte van het reliëfwerk vervaagde, verloor de pijp zijn aantrekkelijke uitstraling. In combinatie met de twee andere vormgebreken is een armoedig product ontstaan; ondanks de versierde steel behoort deze pijp tot de eenvoudige kwaliteit.

De twee andere pijpmodellen hebben een steel van bijna 31 centimeter en behoorden in die periode tot de langere waar. Men rekende ze tot de betere kwaliteit, de zogenaamde fijne pijp omdat hun model, steellengte en afwerking daar ook bij aansloten. De filt is rondom van een radering voorzien en op de hiel draagt het product het merk tulp op steel. Beide pijpen zijn op het zwaartepunt van de steel met gestempelde lelies in ruiten gedecoreerd, tussen deze partijen van vier ruiten is rondom de steel een radering aangebracht. Deze rondgaande radering zal na 1640 verdwijnen omdat zij bij het stempelen te tijdrovend was. Opmerkelijk is het voorkomen van twee verschillende pijpmodellen. Het meest algemene type is dubbelconisch, klein maar slank en vertoont grote overeenkomst met de twee grove modellen (afb. 6). Het andere model heeft een meer gedrongen vorm, is zwaarder en biedt plaats aan meer tabak (afb. 7). Dergelijke pijpen werden met de benaming dikkop aangeduid. Terwijl het slanke model eerder voor de noordelijke provincies bestemd was, verkocht men de grotere koppen vooral naar het zuiden, tot ver in Vlaanderen toe.

Slechts het grotere model kunnen we officieel tot de fijnere soort rekenen. Bij deze pijp zijn de ketel en de steel met agaatsteen gestreept al is ook dit werk niet zo zorgvuldig verricht als we bij soortgelijke pijpen zien. De slanke tegenhanger is ongeglaasd gebleven en vormt daarmee een soort tussenkwaliteit. Vanwege deze onduidelijke afwerking rekenen we de slanke tulp-pijpen tot de kenmerkende waar uit de pre-gildetijd, waarin nog vrijheid in afwerking van de producten bestond. Met de oprichting van het pijpenmakersgilde in 1660 werden de kwaliteiten duidelijk gedefinieerd en van die tijd af zal men het type fijne pijp niet meer ongeglaasd op de markt aantreffen.

Het aantal teruggevonden pijpen zegt weinig over wat er feitelijk is weggegooid want uiteindelijk is slechts een deel van de stort opgegraven. De slanke tulppijpen zijn in ieder geval in de meerderheid, in aantal iets meer dan de overige drie soorten samen. De geborgen pijpen zijn als volgt te verdelen:

aantal afbeelding omschrijving
45 4 grof, onversierd
88 5 grof, rankendecoratie
162 6 slank, hielmerk tulp op steel
26 7 dikkop, hielmerk tulp op steel
321

Het voorkomen van de vier soorten pijpen gekenmerkt door minimale afwerking is tamelijk onverwacht voor Gouda, omdat juist daar naar een hoge graad van perfectie werd gestreefd. Dit materiaal kenmerkt zich eerder als massagoed uit een heel specifiek soort bedrijf. Het gaat zeker niet om een startende zelfstandige met een kwalitatief nog eenvoudig product, maar hier is sprake van een bewuste keuze waarbij een geroutineerd productiebedrijf tegen een bepaalde prijs een specifiek artikel afleverde. Het materiaal is handelswaar waarvan de vervaardiging op snelle en gestroomlijnde wijze tot stand kwam, louter met het oogmerk om tegen minimale kosten afzet te creëren en winst te maken. Het gaat om een klantenkring die wel vroeg om een moderne pijp maar niet om een hoogwaardige kwaliteit. De voor Gouda lage kwaliteit is dus een bewuste keuze geweest om een bepaald marksegment te bedienen.

Interessant is dat de verschillende modellen bewijzen dat de Goudse pijpenmakers in de jaren 1630 zich niet op één enkel model richtten, maar tegelijkertijd verschillende pijpen produceerden. Dit fenomeen duiden we aan met marktaanbod of assortiment. Zo’n assortiment bestond uit verschillende modellen waarvan de kwaliteiten onderling vaak dicht bij elkaar lagen. Binnen de technische mogelijkheden van het bedrijf werkte men deze aan elkaar verwante modellen uit, om de klant keuze te bieden. Het assortiment had ook nog een technische reden, namelijk ten behoeve van het economisch verantwoord bakken. Deze vondst toont aan dat de pijpenmaker zijn assortiment zo had opgebouwd dat in zijn marktaanbod de soorten betrekkelijk dicht bij elkaar lagen. Zowel in grove als in fijne kwaliteit leverde hij twee pijpmodellen. Bij de grove onderscheiden de producten zich in gedecoreerd en ongedecoreerd, terwijl bij de fijne het ketelmodel en de fijnheid van de afwerking verschillen.

Over de verhoudingen van de productieaantallen van de vier soorten pijpen kunnen we helaas weinig zeggen. Slechts een gedeelte van de totale misbrand werd opgegraven; het terrein was zodanig bezaaid met pijpfragmenten dat wel zeker is dat slechts een fractie is geborgen en geteld. Eveneens is onbekend of alle pijpenpotten bij de brand verloren gingen of slechts een gedeelte. Het nog bruikbare materiaal zou via de reguliere handel verspreid kunnen zijn. Het vinden van vier soorten pijpen is zelfs geen garantie dat we het volledige assortiment nu kennen. De maker kan meer persvormen in zijn bezit hebben gehad, die in die week niet zijn gebruikt en waarvan de pijpen in dit baksel dus niet voorkomen. Daarnaast kan hij zijn assortiment vergroten door het afwerken van de pijpen te variëren, bijvoorbeeld met een zorgvuldige verglazing of op andere wijze.

De maker
De vraag wie de maker van dit materiaal is geweest, is niet eenvoudig te beantwoorden omdat er over de vroege Goudse makers en hun merken betrekkelijk weinig bekend is. Om die redenen is het materiaal in mijn handboek aan de II-maker toegeschreven, gebaseerd op de initialen naast het steelmerk (noot 3). Het gegeven dat er twee pijpenmerken zijn gevonden, zou ook kunnen wijzen op twee makers of een opeenvolging van de ene op de andere maker. Van het merk drietand met initialen II is uit een andere opgraving een gestempelde versie als hielmerk bekend en waarschijnlijk behoorde dat merk toe aan de maker Jan Jansz. de Lange. Wat de reden was om een mestvork als merk te kiezen is onduidelijk, maar de keuze van de initialen is in ieder geval wel helder, die ontleende hij aan zijn voornaam en patronimicum; de achternaam komt niet in de merkuitbeelding voor. Als pijpenmaker is De Lange een schimmige figuur, want van hem is alleen een schuldbekentenis bekend (noot 4). We kunnen dus slechts over zijn bedrijf speculeren.

Het lijkt erop dat De Lange al voor 1635 met de productie van pijpen begonnen is en aanvankelijk op de hiel de mestvork met initialen stempelde. Enkele jaren later moet hij zijn hielmerk drietand voor het merk tulp op steel hebben verruild. Het veranderen van pijpenmakersmerk kon in de pre-gildetijd nog zonder belemmering gebeuren, tenminste zolang men niet het teken van een andere maker adopteerde. Behalve op persoonlijk initiatief kan merkverandering ook op verzoek van een handelaar zijn gebeurd, die als afnemer voor een bepaald merkteken een betere marktkans zag. De vier verschillende pijpmodellen vormen tezamen in ieder geval een perfect assortiment, zij het dat het steelmerk met de vork en de initialen II geen logisch verband meer houdt met het hielmerk tulp.

Zeker is dat Jan Jansz. de Lange niet lang op het merk tulp op steel heeft gewerkt. Vanaf 1643 staat dit merk op een andere eigenaar geregistreerd, namelijk op Jan Jacobsz. Coppedraeijer (noot 5). Het lijkt er op dat deze Coppedraeijer op de een of andere wijze de werkplaats van De Lange heeft overgenomen of nauw met hem samenwerkte. In ieder geval is Coppedraeijer een intrigerende maker. In hetzelfde jaar 1643 koopt hij op de Raam een huis voor de lieve som van ruim 2300 gulden (noot 6). Het lijkt zeer waarschijnlijk dat zijn bedrijf in dat pand gevestigd was. Gezien het feit dat De Lange niet meer in het archief voorkomt en Coppedraeijer op een steenworp afstand van de vondst een pand koopt, zouden we kunnen veronderstellen dat Coppedraeijer met de koop van het huis tevens eigenaar werd van het bedrijf dat daarin was gevestigd. In hoeverre De Lange daar nog eigenaarsbevoegdheden behield, blijft onduidelijk.

Jan Jacobsz. Coppedraeijer is een interessante persoon omdat hij in de betere kringen van de Goudse pijpenmakers vertoefde. Mogelijk dankte hij die entree aan de voorzet van De Lange. In ieder geval lijkt het Coppedraeijer voor de wind te gaan, hetgeen blijkt uit de archiefstukken die van hem zijn overgeleverd. Hij is bevriend met een van de grootste kleihandelaren van die periode (noot 7). Daarnaast ging Coppedraeijer met de families Van Steijn, De Zeeuw en Witjes om, die alle drie aan de basis van het fabriekswezen hebben gestaan. Binnen de drie gemelde bedrijven kwam de productie van grotere orders op gang waardoor we bij deze lieden eerder kunnen spreken van fabrikanten dan van pijpenmakers. In hoeverre het ondernemerschap bij Coppendraeijer verder ging dan een productiebedrijf voor pijpen is onduidelijk. Wellicht exploiteerde hij in hetzelfde pand ook een pottenbakkersoven en had dan dus een gecombineerd bedrijf. In ieder geval zouden latere telgen van zijn familie dat wel doen.

Na de oprichting van het gilde in 1660 wordt Coppedraeijer deken en hij zal die functie enkele jaren blijven uitoefenen (noot 8). Coppedraeijer sterft in 1668 (noot 9). Ook bij zijn begraven blijkt zijn gunstige financiële positie want de erven krijgen een hoge begrafenisrekening te voldoen. Het bedrijf wordt aanvankelijk door de weduwe voortgezet (noot 10) maar al snel draagt zij dit over op Barent Dircksz. Jonghart, een andere succesvolle pijpenmaker die zich ook op grootschalige productie richtte (noot 11). Hij zal in de voetsporen van Coppedraeijer treden. Hoewel het genre bedrijf met deze informatie wel is aangegeven, blijft er grote onzekerheid bestaan over de relatie tussen De Lange en Coppedraeijer. Alleen de vondst van nieuw archiefmateriaal kan dat verduidelijken.

De ovenvulling en het aardewerk
Al vanaf het moment dat de pijpennijverheid zich in Gouda vestigt, is het gewoonte de pijpen bij de pottenbakker te laten bakken. Het bouwen van een eigen oven was voor de meeste pijpenmakers te gecompliceerd en hun behuizing was daar in veel gevallen ook niet voor geschikt. Daarnaast waren er strikte brandverordeningen die dit verhinderden. Voor de pottenbakkers was het verhuren van ovenruimte een welkome vorm van bijverdienste. De pijpen werden in hoge aardewerken potten naar de pottenbakkerij gebracht om daar op de bodem van de oven te worden gezet. Het koepelgedeelte vulde de pottenbakker met zijn eigen draaigoed. Het bakken van pijpen zorgde dus voor een intensiever gebruik van de oven.

De pijpenpotten, de potten waarin de pijpen werden gebakken, werden in die periode van rood aardewerk gemaakt, doorgaans op de schijf gedraaid. Zij hebben een conische vorm en staan op drie vinvormige poten (afb. 8). Rondom de poten van deze potten werden soms enkele gaten geprikt die de doorvoer van warmte bevorderden om zo het vocht dat nog in het product aanwezig was af te voeren. De bovenrand van de pot was met een eenvoudige ribbel versterkt (afb. 9). Aangezien de ijzerhoudende klei de witte pijpen zou kunnen verkleuren, werden de potten inwendig met witte klei bestreken. De buitenzijde voorzag men ten behoeve van een betere warmtegeleiding soms van een chamotte mantel, zeker wanneer na herhaaldelijk gebruik scheuren in de potten kwamen. Overigens werden de pijpenpotten niet door een gewone pottenbakker gemaakt maar in een gespecialiseerd bedrijf dat sinds 1637 geoctrooieerd was (noot 12).

Het vullen van de potten gebeurde in de pijpenmakerij op een heel gestroomlijnde, doordachte wijze. De pijpen werden met de stelen omhoog langs een centrale steun, de zogenaamde trompet geplaatst. Onderin gingen de langste pijpen, in dit geval de dikkoppen, die tevens het grootste gewicht hadden en dus ook de grootste stevigheid. Daar bovenop plaatste men de lichtere pijpen met even lange stelen maar met slanke ketels. Tenslotte werd het bovenstuk van de pot opgevuld met korte pijpen. Hiervan konden nog enkele lagen worden opgenomen zonder dat de kegel op de pot hoger hoefde te worden, hun steel was immers zo’n zeven centimeter korter. Zo werd de ruimte in de pot optimaal benut. Pas nadat de gevulde pijpenpotten in de oven waren gehesen werden zij met een klokvormig deksel afgedekt om te voorkomen dat het loodglazuur aardewerk boven in de oven vlekken op het bakgoed zou maken (afb. 10). Die deksels werden met een rolletje klei vast gekit. In het deksel zat een luchtgat dat als een schoorsteen de overdruk in de pijpenpot afvoerde.

Boven de pijpenpotten stapelde de pottenbakker zijn draaigoed. Dat gebeurde al even efficiënt als bij de pijpen: de kleinere voorwerpen werden in de grotere geplaatst om de ovenruimte maximaal te benutten. Ook dit gewone gebruiksaardewerk hebben wij uit de stort leren kennen. Hoewel in veel gevallen volstrekt onherkenbaar vervormd en bovendien grotendeels stukgeslagen weten we dat het om standaard gebruiksgoed gaat met een roodbakkende scherf onder te verdelen in twee soorten: geglazuurd dat wil zeggen bedekt met kleurloos tot geelgetint loodglazuur en ongeglazuurd goed.

Bij deze vondst zij de meest algemene vormsoorten de eenvoudige melktesten op een smalle standring, voorzien van een vlakke bovenrand en met een staand oor. Deze voorwerpen waren zowel bestemd voor het koken als voor het bewaren van voedsel en om die reden zijn zij tweezijdig geglazuurd. Een ander belangrijk artikel is het eenvoudige vuurtestjes op drie pootjes voorzien van de bekende vierzijdige bovenkant (afb. 11). In die periode werd dergelijk goed nog ongeglazuurd geleverd. De wonderlijk donkere kleur van het aardewerk heeft overigens met de verkleuring tijdens de misbrand te maken, waardoor de tint van helder rood naar groenigbruin veranderde en de poreuze scherf bijna tot steengoed versinterde.

Zoals gemeld denderde tijdens het stoken de opstapeling in elkaar en door de grote hitte kwam het aardewerk op een smeltpunt waardoor het zijn oorspronkelijke vorm volledig verloor. De inelkaar gezakte kamerpot waarop twee ingeklapte testjes zijn vastgebakken, is daarvan een prachtig voorbeeld (afb. 12). Dit materiaal moet met talloze andere stukken na het afkoelen van de oven als een grote koek zijn aangetroffen. De versinterde stomp is vervolgens stukgeslagen en de scherven zijn over het achterterrein verspreid. Het was duidelijk dat dit goed nergens meer voor kon dienen.

Over de oorzaak die leidde tot de misbrand blijven we in het ongewisse. Het is zeker dat er tijdens het stookproces iets volledig uit de hand is gelopen, waardoor de stoker de controle over het proces verloor. Vermoedelijk is het metselwerk van de oven door uitzetting gesprongen. Een plotselinge extreme zuurstoftoevoer moet tot geweldige oververhitting hebben geleid waardoor de gehele oveninhoud dermate verhit raakte dat een deel van de keramiek het kookpunt bereikte met versintering als gevolg. Of de fout hier bij de pottenbakker lag of in de constructie van de oven is onduidelijk. Overigens is het zo dat als er schade ontstond, zoals hier het geval was, de pottenbakker de verantwoordelijke was en aan de pijpenmaker een vergoeding voor de geleden schade moest uitbetalen.

De Raam ofwel Koningstraat was in die tijd vol met pijpenmakerijen en pottenbakkerijen. Daarbij steunde de ene branche op de andere. Over gecombineerde bedrijven waar zowel pijpen werden geperst als potten werden gedraaid is niets bekend. Een persoon als De Lange is te schimmig om voor een dergelijk toch vrij kapitaalkrachtig bedrijf in aanmerking te komen al is dit niet onmogelijk. De veronderstelde opvolger van De Lange, Coppedraeijer is wat dat betreft meer het type voor een gecombineerd bedrijf. Hij beschikte over de benodigde investeringsdraagkracht gezien het dure huis waar hij woonde en werkte. Verder verkeerde hij in een kring van gezaghebbende pijpenmakers, dat wil zeggen geen lieden die mooi, fijn werk leverden, maar juist personen die handelsrelaties aanknoopten om grote leveringen te verzorgen. In feite waren dergelijke ondernemingen de eerste productiebedrijven. Gezien de aard van het product zou De Lange dus grondlegger van dit productiebedrijf kunnen zijn geweest en wellicht tevens stichter van een gecombineerd bedrijf.

Slotwoord
De vondst aan de Nobelstraat is om verschillende redenen van onschatbare waarde. Om te beginnen gaat het om het eerste stortmateriaal uit Gouda dat serieus bestudeerd is en ook in publicatie verscheen. Daarmee is het een eerste ijkpunt voor de geschiedenis van de Goudse pijp. De vondsten bewijzen dat er in Gouda op dat moment niet alleen prestigieus, goed afgewerkt materiaal werd vervaardigd, maar ook eenvoudig gebruiksgoed. Interessant aan deze a-typische groep is het gegeven dat de afwerking van de pijpen ruim onder het gemiddelde ligt, terwijl het voorkomen later aandoet dan de archivalische bronnen bewijzen. De groep geeft aan dat er naast werkplaatsen voor een optimale kwaliteit toen al grootschalige productie van massagoed was.

Daarnaast legt deze vondstgroep de basis voor het fenomeen assortiment. Waar oudere publicaties steeds uitgaan van de productie van dezelfde soort pijpen, slechts door de tijd wisselend, bewijst dit materiaal dat de Goudse pijpenmakers zich al vroeg toelegden op een reeks producten die in een zekere samenhang tot elkaar staan. De stort geeft een beeld van vier soorten pijpen die gelijktijdig in de oven werden gebakken, vermoedelijk in één bedrijf vervaardigd. Het geeft ons dus een eerste inzicht in de gelijktijdig naast elkaar gebruikte pijpmodellen en hun kwaliteiten. Voor mijn handboek uit 1987 heeft deze stortvondst het fenomeen assortiment gedefinieerd en dat gegeven heeft de inhoud van dit boek in een nieuw daglicht gezet. Het betekent namelijk overlappende productie- en gebruiksperiodes voor verschillende pijpmodellen.

Tevens illustreert de stortvondst het drama van een misbrand met alle gevolgen van dien. Vermoedelijk door een fout in de constructie van de oven weerstond het metselwerk de hitte niet en ging de totale oven in de hens met een grote klomp versinterd ceramisch materiaal als gevolg. Het is wel vrijwel zeker dat een ramp van een dergelijke omvang zich in Gouda niet vaak zal hebben voorgedaan. Het bouwen van een pottenbakkersoven en de techniek van het stoken waren voldoende ontwikkeld om een dergelijke calamiteit te voorkomen.

Tenslotte informeert de vondst ons over het Goudse aardewerk dat als nevenproduct in de marge van het verlenen van bakfaciliteiten tot stand kwam. Met deze vondst is ook voor het eerst kennis gemaakt met het pijpenpotmateriaal uit Gouda uit de pre-gildetijd. De vorm van de kapsels waarin de kleipijpen werden gebakken is bekend geworden, evenals hun deksels. Daarnaast is ook enig gewoon pottersgoed omschreven, zij het in beperkte mate omdat dit door de hitte zo sterk vervormd was.

Ondanks de belangrijke nieuwe informatie laat deze bijzondere vondst nog veel vragen onbeantwoord. We kunnen het product goed in de tijd plaatsen en haar kwaliteit bepalen, alle verdere gegevens blijven onzeker. Ten eerste kon slechts een deel van de stort worden opgegraven waardoor het beeld van de totale oveninhoud buiten het gezichtsveld bleef. Verder is de toeschrijving aan een maker niet waterdicht. Ook de toedracht van de misbrand blijft schimmig. Zelfs het pijpenpotmateriaal sluit slecht aan bij het beeld dat we daarover uit de latere tijd hebben. Van de aardewerkproductie is een te gering deel gevonden en dat heeft bovendien een buitengewoon eenzijdig voorkomen. Tenslotte zorgde de verwarrende archeologische opbouw van de eindeloos verstoorde grondlagen op dit terrein ervoor dat weinig contextinformatie kon worden verkregen. Wat dat betreft is dit vondstcomplex niet alleen representatief voor de geringe kennis die wij hebben van de eenvoudige gebruiksvoorwerpen van weleer, maar is het ook een goed voorbeeld van de beperkte mogelijkheid om deze kennis verder uit te breiden.

© Don Duco, Stichting Pijpenkabinet, Leiden, 1991.

Afbeeldingen

1.Opgraving aan de Nobelstraat, Gouda, oktober 1984.

2. Overzicht van de pijpen uit de stortvondst. Gouda, Jan Jansz. de Lange, 1639.
Leiden, collectie Pijpenkabinet Pk 10.462-10.465

3. Pijpfragmenten die door oververhitting verkleurd zijn. Gouda, Jan Jansz. de Lange, 1639.
Leiden, collectie Pijpenkabinet Pk 10.462-10.465

4. Pijpen met sporen van aangekoekte roet van de verbrande oven. Gouda, Jan Jansz. de Lange, 1639.
Leiden, collectie Pijpenkabinet Pk 10.462-10.465

5. Tabakspijp van klei met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Onversierd. Gouda, Jan Jansz. de Lange, 1639.
Leiden, collectie Pijpenkabinet Pk 10.464

6. Tabakspijp van klei met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Steel in reliëf aan weerszijden een liggend ovaal met mestvork en initialen II. Gouda, Jan Jansz. de Lange, 1639.
Leiden, collectie Pijpenkabinet Pk 10.465

7. Tabakspijp van klei met slanke dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Steel zwaartepunt stempels lelies in ruit afgewisseld met raderingen. Hielmerk tulp op steel. Gouda, Jan Jansz. de Lange, 1639.
Leiden, collectie Pijpenkabinet Pk 10.462

8. Tabakspijp van klei met buikige dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Steel zwaartepunt stempels lelies in ruit afgewisseld met raderingen. Hielmerk tulp op steel. Gouda, Jan Jansz. de Lange, 1639.
Leiden, collectie Pijpenkabinet Pk 10.463

9. Twee poten van pijpenpotten, de ene met luchtgaten, de ander zonder. Gouda, 1635-1639.
Leiden, collectie Pijpenkabinet Pk 10.747ab

10. Randfragment van een pijpenpot. Gouda, 1635-1639.
Leiden, collectie Pijpenkabinet Pk 10.748ab

11. Fragment van het deksel van een pijpenpot. Gouda, 1635-1639.
Leiden, collectie Pijpenkabinet Pk 10.749b

12. Tot grijsbruin versinterd vuurtestje oorspronkelijk op drie pootjes en met vierzijdige bovenkant. Gouda, 1635-1639.
Leiden, collectie Pijpenkabinet Pk 10.751b

13. Misbaksel van twee ingeklapte vuurtestjes op een melkpot. Gouda, 1635-1639.
Leiden, collectie Pijpenkabinet Pk 10.751a

Noten

1. Een excerpt over deze vondst in: D.H. Duco, De Nederlandse kleipijp, handboek voor dateren en determineren, Leiden, 1987, p 39-42, hoofdstuk: ‘De pijpen van de II-maker’.

2. Ruim een jaar later is de straat opgebroken en bleek de laag door te lopen, dat materiaal dat toen is gevonden is onder de gravers verdeeld en uit het zicht geraakt.

3. Ibidem noot 1.

4. Don Duco, Bronnen tot de geschiedenis van de pijpennijverheid in Gouda, Amsterdam, 1976 e.v. 10-11-1642 Schuldbekentenis Jan Jansz. de Lange van

5. Jan Jacobsz. Coppedraeijer is volgens een latere bronvermelding vanaf 1643 als pijpenmaker werkzaam.

6. SAHM, RA 504, fol 17v, Schuldboek, 01-05-1643. Jan Jacobsz. Coppedraeijer, pijpmaecker schuld aan Adriaen Dircksz., vettewarier van Dfl. 2305.4.- met afbetalingsvoorwaarden. Borg huis en erf Coninghstraet. Borg zijn Arien Thobiasz. de Zeeuw en Joost Witsen, beide pijpmaecker. Marge: Voldaan 24-01-1658.

7. Duco, (Bronnen Gouda), 03-12-1647. Samen met Hendrick Daniëlsz. van Steijn, pijpenmaker, Jan Centen, marktschipper en de voogden over de nagelaten kinderen van Matthijs Dijvoort over Keulse aarde die met stukjes hout verontreinigd is. De kleimeter Jasper Joosten Vertoorn is getuige.

8. BM Londen, Gildeboek 1660-1724, fol 6v. Jan Jacobsz. Coppedraeijer (lid 1660). 1662 Gildebestuur, 29-08-1663 Benoeming tot deken. 02-09-1664 Benoeming tot deken.

9. SAHM, Begraven St Jan, 02-04-1668. Jan Jacopsz. Koppedraijer, eigen graf, 5-12-0, luiden 5-4-0.

10. Duco, (Bronnen Gouda), 08-08-1669. Lijst van schulden aan Barthold Oldenrogge voor geleverde pijpaarde 40 tonnen

11. Duco, (Bronnen Gouda), 18-11-1670. De weduwe Jan Jacobsz. Coppedraeijer verhuurt een huis aan Barent Dircksz. Jonghart.

12. Duco, (Bronnen Gouda), Melsert Maertensz. Broecker (1610-1650) 01-09-1637 verzoekt een octrooi voor de productie van pijpenpotten aangezien er slechts vier pottenbakkers in de provincie zijn die zich hiermee bezig houden en de aanvoer hiervan kostbaar is. Toegekend voor een periode van zeven jaar. 01-10-1639 verzoekt overtreders die toch pijpenpotten maken met een boete van 6 gulden te straffen.

1a. Opgraving aan de Nobelstraat, Gouda, oktober 1984.
1b.Opgraving aan de Nobelstraat, Gouda, oktober 1984.
1c.Opgraving aan de Nobelstraat, Gouda, oktober 1984.
2. Overzicht van een deel van de pijpen uit de stortvondst. Gouda, Jan Jansz. de Lange, 1639.
3. Pijpfragmenten die door oververhitting verkleurd zijn. Gouda, Jan Jansz. de Lange, 1639.
4. Pijpen met sporen van aangekoekte roet van de verbrande oven. Gouda, Jan Jansz. de Lange, 1639.
5a. Tabakspijp van klei met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Onversierd. Gouda, Jan Jansz. de Lange, 1639.
5b. Dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Onversierd. Gouda, Jan Jansz. de Lange, 1639.
6a. Tabakspijp van klei met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Steel in reliëf aan weerszijden een liggend ovaal met mestvork en initialen II. Gouda, Jan Jansz. de Lange, 1639.
6b. Dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Steel in reliëf aan weerszijden een liggend ovaal met mestvork en initialen II. Gouda, Jan Jansz. de Lange, 1639.
6c. Groep met pjipen met op de steel in reliëf aan weerszijden een liggend ovaal met mestvork en initialen II. Gouda, Jan Jansz. de Lange, 1639.
7a. Tabakspijp van klei met slanke dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Steel zwaartepunt stempels lelies in ruit afgewisseld met raderingen. Hielmerk tulp op steel. Gouda, Jan Jansz. de Lange, 1639.
7b. Dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Steel zwaartepunt stempels lelies in ruit afgewisseld met raderingen. Hielmerk tulp op steel. Gouda, Jan Jansz. de Lange, 1639.
7c. Hielmerk tulp op steel. Gouda, Jan Jansz. de Lange, 1639.
7d. Groep pijpen met op de steel zwaartepunt stempels lelies in ruit afgewisseld met raderingen. Hielmerk tulp op steel. Gouda, Jan Jansz. de Lange, 1639.
8a. Tabakspijp van klei met buikige dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Steel zwaartepunt stempels lelies in ruit afgewisseld met raderingen. Hielmerk tulp op steel. Gouda, Jan Jansz. de Lange, 1639.
8b. Buikige dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Steel zwaartepunt stempels lelies in ruit afgewisseld met raderingen. Hielmerk tulp op steel. Gouda, Jan Jansz. de Lange, 1639.
8c. Hielmerk tulp op steel. Gouda, Jan Jansz. de Lange, 1639.
9a. Poot van pijpenpot zonder luchtgaten. Gouda, 1635-1639.
9b. Poot van pijpenpot met luchtgaten. Gouda, 1635-1639.
10a. Randfragment van een pijpenpot, buitenzijde. Gouda, 1635-1639.
10b. Randfragment van een pijpenpot, binnenzijde. Gouda, 1635-1639.
11. Fragment van het deksel van een pijpenpot met luchtgat. Gouda, 1635-1639.
12. Tot grijsbruin versinterd vuurtestje oorspronkelijk op drie pootjes en met vierzijdige bovenkant. Gouda, 1635-1639.
13a. Misbaksel van twee ingeklapte vuurtestjes op een melkpot. Gouda, 1635-1639.
13b. Misbaksel van twee ingeklapte vuurtestjes op een melkpot. Gouda, 1635-1639.

< back
<< home

Amsterdam Pipe Museum - the worldwide culture of pipe smoking
©
copyright Amsterdam Pipe Museum - voorheen Pijpenkabinet, Amsterdam

klik hier voor
adres